Rb. Limburg 16 oktober 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:9890
De burgemeester heeft de uitgaansgelegenheid met toepassing van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet gesloten voor de duur van 12 maanden. Met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat in de uitgaansgelegenheid een steekincident met verwonding heeft plaatsgevonden. De burgemeester was daarom bevoegd de uitgaansgelegenheid te sluiten. De burgemeester mocht ook toepassing geven aan zijn horecasanctiebeleid de uitgaansgelegenheid voor de duur van maximaal 12 maanden te sluiten. Omdat het horecasanctiebeleid de burgemeester een keuze laat in de sluitingsduur met een maximale duur van 12 maanden, had de burgemeester moeten motiveren waarom met een kortere sluitingsduur niet kon worden volstaan om het doel van de sluiting te bereiken. Met de (algemene) motivering dat in dit geval een sluitingsduur van 12 maanden noodzakelijk is dan wel een langdurige sluiting van 12 maanden het enige middel is, heeft de burgemeester dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom wegens strijd met het motiveringsbeginsel vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2409
- ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:943
- Rb. Rotterdam 23 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1407
- Rb. Rotterdam 25 augustus 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6539
- Rb. Rotterdam 22 augustus 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6437
- ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840
- Rb. Limburg 5 juni 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:4771