Rb. Limburg 18 april 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3604

Verweerder heeft een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend voor het omschakelen van een pluimveehouderij naar een “Livar-varkenshouderij”. Een zogenoemde “Livar-varkenshouderij” houdt rekening met het natuurlijk gedrag en de leefomgeving van het varken en onderscheidt zich van een reguliere varkenshouderij doordat de varkens een buitenverblijf hebben. Omwonenden en een in de directe omgeving gelegen zorginstelling, gespecialiseerd in het behandelen van mensen met chronische longaandoeningen, hebben tegen die verlening bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard. Hoewel de geuremissie als gevolg van de varkenshouderij (fors) zal toenemen in vergelijking met de pluimveehouderij, worden de geldende geurnormen niet overschreden. In de visie van verweerder is er daarom geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De rechtbank is van oordeel dat geurhinder moet worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij moet de extra hinder (of bijzondere gevoeligheid) die patiënten van de zorginstelling ondervinden van geur worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of de varkenshouderij zal kunnen voldoen aan de daarvoor geldende milieunormen niet gelijk kan worden gesteld met de beoordeling van de vraag of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Verweerders motivering dat door het voldoen aan de geurnormen geen sprake zal zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is daarom niet toereikend. Bovendien miskent verweerder daarmee dat ook een toename van de geuremissie binnen de normen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De rechtbank verwijst hiertoe naar de bijzondere gevoeligheid voor geur van de patiënten van de zorginstelling. Daarnaast heeft verweerder niet duidelijk gemaakt of en in hoeverre de gevolgen van de buitenverblijven op de geuremissie worden ondervangen door het toepassen van de hoogst toepasbare geuremissiefactor uit de Regeling geurhinder en veehouderij die ziet op (overdekte) stalsystemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zich wat betreft het aspect geur geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. Dit maakt tevens dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. De beroepen zijn gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken