Rb. Limburg 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:8354

Op grond van een nieuwe diagnose is verweerder teruggekomen van de intrekking per 31 januari 1996 van de destijds naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% berekende WAO-uitkering. Verweerder heeft echter de uitkering pas opnieuw doen ingaan op 28 januari 2013, een jaar voordat het verzoek om herziening was gedaan, en heeft die uitkering vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. De rechtbank is van oordeel dat verweerder had moeten blijven uitgaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, nu de functies waarop de nadere schatting is gebaseerd niet aan eiseres zijn voorgehouden en van een uitlooptermijn geen sprake is geweest. Wat betreft de mate van terugwerkende kracht is de rechtbank van oordeel dat een verzoek om terug te komen van een besluit tot intrekking van een eerder toegekende uitkering niet is te beschouwen als een aanvraag in de zin van artikel 35 van de WAO. Dat betekent echter niet dat een achteraf onjuist gebleken besluit over een duuraanspraak desgevraagd in alle gevallen met volledige terugwerkende kracht moet worden gehonoreerd. Het bestuursorgaan dient in zo’n geval met inachtneming van alle omstandigheden en afweging van alle belangen, te beoordelen welke mate van terugwerkende kracht aangewezen is. Dat verweerder voor dit soort gevallen een beleidskader hanteert is de rechtbank niet gebleken en evenmin is van een op het voorliggende geval toegespitste belangenafweging sprake. De rechtbank acht de mate van terugwerkende kracht in dit geval niet in overeenstemming met een evenwichtige belangenweging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken