Rb. Limburg 27 mei 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:4392
De transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser, is een besluit dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Een volle, inhoudelijke toets van dat besluit is binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk. Daarbij komt dat de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat deze verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Verweerder heeft daardoor bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid, is erin gelegen dat verweerder bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Gelet hierop hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd. Ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling, wordt bij de matching uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en is bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van bovengenoemde avv zodanige ernstige feilen kleven dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden. Eiser heeft niet betoogd dat er sprake is van een onjuiste match voor wat betreft de indeling in het domein Uitvoering en het vakgebied Operationeel specialismen. Het door eiser gestelde onjuiste matchingsresultaat, zijnde de toekenning van de LFNP-functie Operationeel Specialist B (schaal 10) in plaats van Operationeel Specialist C (schaal 11), vloeit dan ook direct voort uit de hierboven beschreven LFNP matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Nu verweerder aan deze keuzes is gebonden en zij ook de rechterlijke toets doorstaan, ziet de rechtbank in het kader van de voorliggende toets geen aanknopingspunten om de onderhavige match kennelijk onhoudbaar te achten. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de hardheidsclausule niet bedoeld is om een eerder gemaakte fout in een aanstellingsbesluit te herstellen of om loopbaanafspraken die niet worden nagekomen af te dwingen. De onderhavige procedure betreft enkel de ‘omzetting’ van de (formele) korpsfunctie en die is niet onjuist verlopen.
De uitspraak op rechtspraak.nl