Rb. Limburg 14 juni 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:CA3331

Verweerder heeft in het bestreden besluit op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor de vestiging en het gebruik van een helihaven. De aan te leggen toetsingsmaatstaf in dit verband is volgens de rechtbank of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit in redelijkheid niet heeft kunnen nemen omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in de relevante milieuwetgeving opgenomen geluidgrenswaarden. Naar het oordeel van de rechtbank dient in casu uitsluitend de door het grondzijdig helikoptergeluid veroorzaakte geluidbelasting aan de daarvoor geldende normen van het hier van toepassing zijnde Activiteitenbesluit te worden getoetst en niet het luchtzijdig helikoptergeluid omdat dit laatste in het kader van de Wet luchtvaart (eventuele luchthavenregeling) wordt beoordeeld. Nu gebleken is dat het grondzijdig geluid, zoals blijkt uit de overgelegde geluidrapporten, voldoet/kan voldoen aan het Activiteitenbesluit is verweerder in het licht van de genoemde toetsingsmaatstaf op dit punt in redelijkheid tot het bestreden besluit gekomen. De in het bestreden besluit opgenomen voorwaarde dat de luchthavenregeling in acht dient te worden genomen is naar het oordeel van de rechtbank geen voorwaarde die in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de vrijstelling kan worden verbonden. De rechtbank is voorts van oordeel dat anders dan het type helikopters het aangevraagde aantal vluchten -vergunninghouder verzet zich daar niet tegen- wel in het bestreden besluit had moeten worden opgenomen. Volgt (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden besluit en de rechtbank voorziet zelf in de zaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen