Rb. Leeuwarden 28 juli 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BR4907
Ondanks het gegeven dat eerder op de teruggeleiding van de minderjarige is beslist, zal deze rechtbank de Centrale Autoriteit in haar verzoek ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat een teruggeleidingsbeslissing een ordemaatregel betreft en dat gezien het tijdsverloop sedert de eerdere beslissing tot teruggeleiding en de ingebrachte nieuwe informatie over de ouders en (de ontwikkeling van) de minderjarige, het geraden voorkomt een nieuwe beslissing te verlangen. Daar komt bij dat de Centrale Autoriteit, rekening houdend met de op haar van toepassing zijnde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder begrepen het zorgvuldigheidsbeginsel, op goede gronden heeft geoordeeld een nieuw verzoek tot teruggeleiding in te dienen. Voor zover de moeder betoogt dat teruggeleiding in strijd is met de belangen van de minderjarige, overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de belangen van het kind – onder meer neergelegd in de bepalingen van het Verdrag inzake de rechtbank van het kind (IVRK) – in het Haagse Verdrag zijn geïncorporeerd. De rechtbank overweegt voorts dat het niet zo kan zijn dat van de teruggeleiding van de minderjarige wordt afgezien enkel door tijdsverloop. Met betrekking tot de ontwikkelingsachterstand van de minderjarige neemt de rechtbank in aanmerking dat de Centrale Autoriteit ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat de Schotse Centrale Autoriteit reeds contact heeft opgenomen met de kinderbeschermingsinstanties aldaar en dat deze zich de belangen van de minderjarige zullen aantrekken en voor zover nodig bij terugkeer gepaste maatregelen ter bescherming van de minderjarige zullen nemen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de terugkeer van de minderjarige gelast dient te worden. Nu de minderjarige onder toezicht van Bureau Jeugdzorg staat en uit huis is geplaatst in een pleeggezin op een geheim adres, is de rechtbank van oordeel dat de afgifte van de minderjarige niet aanstonds aan de vader kan plaatsvinden. De rechtbank zal de minderjarige derhalve op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet voorlopig aan Bureau Jeugdzorg afgeven. Bureau Jeugdzorg zal een traject inzetten waarbij de minderjarige op zijn terugkeer naar Schotland wordt voorbereid en het contact met de vader wordt geïntensiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl