Rb. Leeuwarden 14 oktober 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BO9295
De rechtbank heeft geoordeeld dat de toevoegingsaanvragen ten onrechte zijn afgewezen wegens het verstrekken van geen of een volstrekt ontoereikende grond. Op het moment dat de (hoger) beroepen werden ingesteld had zich in de jurisprudentie nog geen duidelijke en vaste lijn ontwikkeld met betrekking tot de vraag of een aanzegging tot betaling van leges ingevolge artikel 3.34h van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 dient te worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De eerste uitspraak die de ABRvS over dit onderwerp heeft gedaan, betreft de uitspraak van 19 maart 2009 op de hoger beroepen waar het in deze zaak om gaat en dus van na het instellen van de (hoger) beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin worden volgehouden dat ten tijde van het instellen van de (hoger) beroepen redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over het antwoord op de vraag of een aanzegging tot betaling van leges ingevolge artikel 3.34h van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 dient te worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl