Rb. Leeuwarden 27 april 2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1386
Tegen het benoemingsbesluit van een nieuwe notaris kan bezwaar en beroep worden ingesteld voorzover het betreft de vermelding van de vestigingsplaats in dat besluit. Het bezwaarschrift van verzoekers, 2 reeds gevestigde notarissen, tegen de benoeming van mr. X tot notaris met als vestigingsplaats Heerenveen is bij KB van 21 februari 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het KB is beroep ingesteld; tevens hebben verzoekers de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. President: Uitzonderingen op de hoofdregel, dat tegen besluiten in de zin van art. 1:3 Awb rechtsmiddelen openstaan, zoals het in geding zijnde art. 8:4 Awb, moeten restrictief worden geïnterpreteerd. Door de uitleg dat op basis van de wettekst van art. 3 WNA tegen een besluit als bedoeld in dat artikel, ook voor wat betreft het deel waarbij de plaats van vestiging is aangegeven, geen rechtsmiddelen open staan in de zin van de Awb, ontstaat een niet te verklaren verschil tussen enerzijds het aangeven van een vestigingplaats op grond van art. 3 WNA en anderzijds de beslissing inhoudende de wijziging van een vestigingsplaats als bedoeld in art. 10 WNA, waartegen wel rechtsmiddelen mogelijk zijn. Niet valt in te zien waarom dit verschil in rechtsbescherming gerechtvaardigd zou zijn. In beide situaties is namelijk in geding of het ondernemingsplan voldoet aan de voorwaarden van art. 7 WNA. De president vermag niet in te zien waarom in dit laatste geval de wetgever wel ruimte heeft willen geven voor rechtsbescherming ten behoeve van belanghebbenden in de zin van art. 1:2 Awb en in het geval van een eerste benoeming op grond van art. 3 lid 1 WNA niet. De WNA zelf bevat geen regeling met betrekking tot de toepasselijke rechtsmiddelen, zodat het uiteindelijk de Awb is die op basis van de daarin opgenomen begrippen bepaalt of en in welke omvang rechtsmiddelen tegen een overheidsbeslissing openstaan. De president acht een beslissing als bedoeld in art. 10 WNA een besluit in de zin van de Awb, hetgeen door verweerder ook niet is bestreden. Elke belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb zal dan rechtsmiddelen tegen zo'n besluit kunnen aanwenden. De vraag of er ook daadwerkelijk zulke belanghebbenden zijn bij een positief besluit van de minister van Justitie op een verzoek tot wijziging van de vestigingplaats, laat onverlet dat rechtsbescherming tegen een dergelijk besluit mogelijk is. De omstandigheid dat de WNA niet beoogt de belangen van de al zittende notarissen in de in geding zijnde vestigingsplaats te beschermen, brengt niet reeds mee dat deze notarissen geen belanghebbenden in de zin van de Awb kunnen zijn. Bepalend voor de kwalificatie als belanghebbende is uitsluitend of iemand een belang heeft dat rechtstreeks bij het besluit betrokken is. De door verweerder beoogde uitleg van art. 3 WNA zou met zich brengen dat met de invoering van de WNA per 1 oktober 1999 het systeem van rechtsbescherming beperkt wordt, terwijl niet gebleken is dat met de invoering van de WNA in bestuursrechtelijke zin een principiële breuk met het voordien bestaande stelsel is beoogd. De door verweerder beoogde uitleg van art 3 WNA is niet in overeenstemming met de bedoeling van art. 8:4 Awb. Benoemingsbesluiten in de Awb zijn in beginsel uitgezonderd van rechtsbescherming, omdat zij zich niet lenen voor rechterlijke toetsing wegens de veelheid aan gronden voor een bepaalde voorkeur voor een persoon. Bij het aangeven van een vestigingsplaats staan evenwel de persoonlijke kwaliteiten en bekwaamheden van de te benoemen notaris niet ter discussie. Het ondernemingsplan behoort niet tot de "persoonlijke kwaliteiten" welke aanleiding zijn geweest om tegen een benoemingsbesluit geen rechtsmiddelen open te stellen. In het licht van de regel dat uitzonderingen op rechtsbescherming restrictief geïnterpreteerd moeten worden, moet doorslaggevende waarde gehecht worden aan de wetsystematiek van de WNA. Derhalve dient het aangeven van de plaats van de vestiging niet tot de benoeming te worden gerekend. Tegen het KB van 2 november 2000 staan dan ook rechtsmiddelen open, voor zover daarbij als vestigingsplaats de gemeente Heerenveen is aangegeven. Verweerder heeft het bezwaarschrift van verzoekers dan ook ten onrechte met een beroep op art. 8:4 Awb niet-ontvankelijk verklaard, zodat naar verwachting het beroep gegrond zal moeten worden verklaard. Voor wat betreft de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen is mede van belang de vraag of verweerder het KB voor wat betreft de vestigingplaats alsnog in bezwaar zal kunnen handhaven. De president stelt vast dat dit besluit inhoudelijk onvoldoende is gemotiveerd, nu het gebaseerd is op een advies van de Commissie van deskundigen als bedoeld in art. 7 lid 2 WNA, dat niet is gemotiveerd. Het nadere advies van de Commissie van deskundigen van 11 december 2000 is evenmin voldoende gemotiveerd, aangezien de kritische kanttekeningen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en van Ernst en Young daarin niet zijn betrokken. Op basis van een afweging van de belangen van partijen is de president van oordeel dat de belangen van mr. X doorslaggevend moeten worden geacht. Inmiddels is haar kantoor op 12 maart 2001 van start gegaan. Weliswaar kan niet geheel worden voorbijgegaan aan het feit dat zij dit, gelet op de op dat moment nog aanhangige procedures, op eigen risico heeft gedaan, anderzijds beschikte zij wel over een benoemingsbesluit, heeft zij de nodige investeringen gedaan, personeel aangenomen en moet worden aangenomen dat haar kantoor inmiddels diensten verleent aan klanten. De president acht het niet aannemelijk dat de belangen van verzoekers, reeds gevestigde notarissen in de gemeente Heerenveen, door de activiteiten van mr. X, die zich in die gemeente nog een positie moet verwerven, in zodanige mate zullen worden geschaad in vergelijking met de schade die mr. X zal lijden, dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is. Volgt afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Eerdere procedures: - Uitspraak president rechtbank Leeuwarden d.d. 21 december 2000, ECLI:NL:RBLEE:2000:AA9512. - Uitspraak wrakingskamer rechtbank Leeuwarden d.d. 3 april 2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0849. De Kroon, verweerder. mr. P.G. Wijtsma (president)
De uitspraak op rechtspraak.nl