Rb. Leeuwarden 3 april 2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0849
Toewijzing van verzoek om wraking van fungerend president die in de bezwaarfase reeds uitspraak heeft gedaan ten aanzien van verzoek om voorlopige voorziening. Mondeling voordragen van wraking van de fungerend president tijdens de behandeling ter zitting van het door mrs. X en Y ingediende verzoek om schorsing van het Koninklijk Besluit van 21 februari 2001 inzake de benoeming van mr. A tot notaris binnen het arrondissement Leeuwarden met als vestigingsplaats […]. Bij uitspraak van 21 december 2000, ECLI:NL:RBLEE:2000:AA9512, heeft de fungerend president bij wege van voorlopige voorziening, het koninklijk besluit van 2 november 2000 geschorst voor zover daarbij als vestigingsplaats van de bij dit besluit benoemde notaris de gemeente [vestigingsgemeente] is aangegeven, tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift van mrs. X en Y. De president heeft in die uitspraak overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel het bezwaarschrift van mrs. X en Y in de bodemprocedure ontvankelijk moet worden verklaard met - in hoofdzaak - de volgende motivering: "Gelet op de voorgaande overwegingen is de president voorshands van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat tegen een besluit op grond van art. 3 lid 1 WNA (Wet op het notarisambt) bezwaar en beroep open staat voor belanghebbenden voor zover het gaat om de in dat besluit aangegeven plaats van vestiging. Daaraan staat art. 8:4 aanhef en onder d Awb niet in de weg, omdat deze bepaling niet van toepassing is. Weliswaar staan benoeming en plaats van vestiging in één en hetzelfde besluit, maar uit de systematiek van de wet op het notarisambt, zoals hiervoor beschreven, leidt de president af dat het aangeven van de plaats van vestiging niet tot de benoeming moet worden gerekend" De rechtbank stelt voorop dat een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden, op grond waarvan kan worden gevreesd dat geen sprake meer is van rechterlijke onpartijdigheid. Daarbij kan de uiterlijke (te vermijden) schijn beslissend zijn, maar dan moet er een objectieve rechtvaardiging zijn voor twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter. De vrees van mr. A dat de fungerend president zich in haar geval niet dan met moeite zal kunnen losmaken van zijn eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid, is naar het oordeel van de rechtbank objectief gerechtvaardigd. De rechtbank deelt in het onderhavige geval niet het standpunt van de fungerend president dat in deze zaak het uitgangspunt kan worden gekozen dat in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid niet is geschaad indien een fungerend president een zaak zowel hangende bezwaar als hangende beroep behandelt, waartoe de fungerend president naar de uitspraak van 16 maart 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AB1250, van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft verwezen. De rechtbank oordeelt in deze zaak anders omdat de fungerend president in zijn uitspraak ex art. 8:81 Awb van 21 december 2000 een uitvoerig gemotiveerd inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het voor de afloop van de onderhavige zaak bepalende, principiële, nog niet in de rechtspraak uitgekristalliseerde, meningsverschil tussen - materieel - enerzijds de Kroon en mr. A en anderzijds mrs. X en Y. In de bij het koninklijk besluit van 21 februari 2001 behorende nota van toelichting wordt met een even uitvoerige motivering tegen de door de fungerend president aangevoerde gronden geageerd met conclusie tot verwerping daarvan. Het komt dan ook vrijwel onontkoombaar voor dat in het thans aanhangige verzoek tot schorsing van het koninklijk besluit van 21 februari 2001 wederom en in feite zelfs uitsluitend beslist moet worden tussen het standpunt van de Kroon en mr. A en het standpunt van mrs. X en Y welk laatste standpunt de fungerend president eerder in rechte, bij wege van voorlopige voorziening, heeft gehonoreerd. Op grond hiervan kan er naar het oordeel van de rechtbank bij mr. A een objectief gerechtvaardigde vrees bestaan dat de fungerend president bij het verzoek om schorsing hangende beroep van mrs. X en Y niet dan met moeite anders zal oordelen dan hij in het kader van de beoordeling van het eerdere verzoek hangende het bezwaar heeft gedaan. Daar komt nog bij dat de president in het aanhangige verzoek ingevolge art. 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak en de vertegenwoordiger van de Kroon in zijn schriftelijke reactie van 20 maart 2001 al heeft aangekondigd voornemens te zijn om aan de president te vragen toepassing te geven aan art. 8:86 Awb. Het verzoek tot wraking moet worden toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl