Rb. Haarlem 21 september 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:CA0008

Meervoudige strafkamer; promisvonnis; diefstal met braak/verbreking; niet voldoen aan bevel of vordering. Gevoerde verweren die zien op feit 2 van de tenlastelegging, namelijk respectievelijk partiële niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en vrijspraak, worden verworpen. Ten aanzien van de partiële niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank overwogen dat de gedragsaanwijzing op 4 april 2012 is gegeven, nadat verdachte zich in de daaraan voorafgaande maand maart herhaaldelijk niet had gehouden aan verblijfsontzeggingen voor de binnenstad van Haarlem, welke verdachte zijn gegeven vanwege het herhaaldelijk veroorzaken van overlast. De door de officier van justitie gegeven gedragsaanwijzing ziet - gelet op de tekst daarvan - op ernstige verstoringen van de openbare orde en de grote vrees voor herhaling van zulke verstoringen, zoals bedoeld in artkel 509hh lid 1, sub a Sv. In het licht van de zich in het dossier bevindende stukken omtrent de 'voorgeschiedenis' valt niet goed in te zien hoe hier de subsidiairiteit in het geding zou kunnen zijn. Gelet op diezelfde voorgeschiedenis en de aangebrachte voorziening waardoor het mogelijk werd, dat verdachte zonder overtreding van de verblijfsontzegging waarop ook de gedragsaanwijzing betrekking had, contact kon hebben met Palier Reclassering, kan de aanwijzing evenmin disproportioneel worden genoemd. Ten aanzien van de op vrijspraak gerichte verweren overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste jurisprudentie de rechter bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 184 Sr onder meer dient te onderzoeken of het op de in de tenlastelegging genoemde, op een wettelijk voorschrift gegronde, bevel rechtmatig is gegeven. Nu uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het bevel van de Burgemeester is benut, zal de rechtbank de rechtmatigheid van het bevel moeten beoordelen (HR 24 september 2002, NJ 2003, 80). In het primair gevoerde verweer van de raadsman dat de besluiten tot gebiedsontzegging niet rechtmatig zijn genomen, nu de Burgemeester ingevolge het bepaalde in artikel 177, tweede lid, van de Gemeentewet zijn bevoegdheid niet kan mandateren aan de politie, wordt miskend dat het in deze zaak niet gaat om een besluit op grond van de in artikel 172a van de Gemeentewet bedoelde bevoegdheid, doch om twee besluiten van de burgemeester die beide zijn gegrond op de in artikel 10a van de ten tijde van de ten laste gelegde feiten geldende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Haarlem (hierna: APV) aan de Burgemeester toegekende bevoegdheid. Uit artikel 10:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Naar het oordeel van de rechtbank wordt het mandateren van de onderhavige bevoegdheid door de Burgemeester niet uitgesloten door artikel 10a van de APV noch door enige andere wetsbepaling. Evenmin verzet de aard van de bevoegdheid zich tegen (iedere vorm van) mandatering. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aan verdachte opgelegde verblijfsontzeggingen rechtmatig zijn. Het verweer wordt derhalve verworpen. Ten aanzien van het met betrekking tot de niet-naleving van de verblijfsontzegging subsidiair gevoerde verweer van de raadsman overweegt de rechtbank dat het in casu gaat om de door de gemeenteraad van Haarlem vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening, onder aanhaling van de tekst van artikel 10a. Uit deze tekst volgt dat de Burgemeester van Haarlem voor wat betreft de uitvoering van artikel 10a van de APV, is aan te merken als een ambtenaar met de uitvoering van enig toezicht belast, als bedoeld in artikel 184 Sr. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer. De rechtbank merkt derhalve de op 29 februari 2012 en op 3 maart 2012 aan verdachte opgelegde verblijfsontzeggingen aan als rechtmatig gegeven bevelen krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Ook het standpunt van de raadsman, dat niet-naleving van de door de officier van justitie gegeven gedragsaanwijzing geen overtreding oplevert van het voorschrift van artikel 184 Sr doch van dat van artikel 184a Sr, deelt de rechtbank niet. Artikel 184a Sr ziet immers louter op het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing die is gegeven krachtens artikel 509hh lid 1 sub b Sv. Indien de gedragsaanwijzing (zoals in casu) is gegeven op grond van de omstandigheden genoemd onder a (of c) van zojuist bedoeld artikellid, valt opzettelijke overtreding van de gedragsaanwijzing onder de werkingssfeer van artikel 184 Sr. Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren onder oplegging van bijzondere voorwaarden. De vordering van de benadeelde partij wordt tot een bedrag van 4.078,94 toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet ontvankelijk verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen