Rb. Haarlem 21 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY7669
De rechtbank is van oordeel dat, indien het gaat om bestuurders met uitsluitend een rijbewijs van de categorie B, het opleggen van het alcoholslotprogramma een maatregel is waarmee de verkeersveiligheid is gediend en niet als een ‘criminal charge’ moet worden beschouwd, nu een bestuurder door oplegging van deze maatregel het rijbewijs kan behouden. In het geval van eiser heeft de oplegging van het alcoholslotprogramma echter tot gevolg dat hij weliswaar de beschikking behoudt over het rijbewijs van de categorie B, maar dat zijn rijbewijs met categorie C - waarvan eiser voor zijn inkomen afhankelijk is - feitelijk voor ten minste 24 maanden ongeldig is verklaard. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het karakter van deze maatregel in dit specifieke geval dusdanig anders is, dat deze in dit geval punitief van aard moet worden geacht. Als gevolg van deze conclusie wordt de oplegging van het alcoholslotprogramma indringend getoetst aan het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het belang van eiser zwaarder weegt dan het belang van de overheid om het alcoholslotprogramma te beperken tot motorvoertuigen van de rijbewijscategorie B. De - pragmatische - keuze om de inbouw van de apparatuur die gebruikt wordt bij het alcoholslotprogramma (vooralsnog) mogelijk te maken bij motorvoertuigen van de rijbewijscategorie B is erin gelegen dat het alcoholslot nieuw is en daarom in het begin kan stuiten op onbegrip, dat daarmee ervaring moet worden opgedaan en dat op bestuurders die het rijbewijs voor het werk nodig hebben een bijzondere verantwoordelijkheid rust. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de gevolgen die dit besluit heeft voor eiser, namelijk dat hij zijn baan zal verliezen en niet in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien, temeer nu zijn echtgenote arbeidsongeschikt is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door deze beperking in het bijzonder bestuurders met een rijbewijs van de categorie C of D, die het rijbewijs voor het werk nodig hebben, worden geraakt, terwijl bijvoorbeeld taxichauffeurs, koeriers of andere personen die uit hoofde van hun werk motorvoertuigen van de rijbewijscategorie B besturen door oplegging van het alcoholslotprogramma nog wel in staat zouden zijn om hun werk te verrichten. De rechtbank concludeert dan ook dat de toepassing van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 in een situatie zoals die van eiser achterwege dient te blijven, omdat een besluit op grond van deze bepaling in dit geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl