Rb. Haarlem 1 juni 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ8214
Minderjarige verdachte. Verwerping verweer onrechtmatig verkregen bewijs dmv burgerpseudodienstverlening. Verwerping verweer schending IVRK. Medeplegen (verlengde) invoer cocaine: afhaler. Geen toepassing meerderjarigenstrafrecht. "De medewerking van H. aan het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee naar mogelijke afhalers kan naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als burgerpseudodienstverlening. Van burgerpseudodienstverlening is sprake indien een burger bijstand verleent aan de opsporing, door goederen of diensten van een verdachte af te nemen dan wel diensten aan een verdachte te verlenen (artikel 126ij Sv). H. heeft in onderhavig geval geen goederen of gegevens van verdachte afgenomen en evenmin heeft H. diensten verleend aan verdachte. Men heeft H. slechts zijn weg laten vervolgen en handelingen laten verrichten die hij reeds voornemens was te verrichten met als doel het onderkennen van de afhalers. Deze handelingen bestonden, voor zover uit het dossier blijkt, uitsluitend uit het aannemen van telefoontjes en het ontvangen van instructies, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet als het verlenen van een dienst aan die verdachte valt aan te merken. Ook het reserveren van een hotelkamer kan niet worden aangemerkt als het verlenen van een dienst aan verdachte. Bij dit alles is H. overigens voortdurend onder observatie geweest van opsporingsambtenaren. (..) Het Openbaar Ministerie had op grond van het bepaalde in artikel 491 Sv de Raad voor de Kinderbescherming onverwijld van verdachtes inverzekeringstelling in kennis moeten stellen. Dit verzuim had evenwel nog hersteld kunnen worden, ware het niet dat verdachte na zijn invrijheidstelling vermoedelijk naar het buitenland is vertrokken. Verdachte is dan ook niet in enig belang geschaad door het achterwege laten van de inschakeling van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank constateert voorts dat de ouders niet zijn opgeroepen voor de behandeling ter terechtzitting. Verdachte zelf was niet ter terechtzitting aanwezig, zijn vader, van wie geen nadere gegevens bekend zijn, verblijft in het buitenland en zijn moeder is een medeverdachte in de strafzaak tegen verdachte. De moeder van verdachte was aanwezig bij de behandeling van haar eigen strafzaak en is voorts door de rechtbank in de gelegenheid gesteld bij de achter gesloten deuren behandeling van de persoonlijke omstandigheden van haar zoon aanwezig te zijn om een en ander toe te lichten indien gewenst, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt. De rechtbank is, gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval, van oordeel dat verdachte door genoemde omissies niet zozeer is geschaad in enig belang, terwijl verder niet valt in te zien dat hij tengevolge van deze omissies zodanig nadeel heeft geleden, dat dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting."
De uitspraak op rechtspraak.nl