Rb. Haarlem 10 december 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6966

artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, vereisten bevel, veroordeling ter zake een misdrijf zoals omschreven in artikel 67 Sv, minderjarige, afweging van belangen niet aan de orde Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd volgt uit artikel 2, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden slechts dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis heeft gegeven het bevel tot afname van het celmateriaal afgeeft. Voor het standpunt dat dit door de zaaksofficier van justitie behoort te worden gedaan en dat het bevel blijk geeft van een gemaakte belangenafweging, biedt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen grond. Dat uit het bevel niet valt op te maken dat veroordeelde is veroordeeld ter zake een poging tot zware mishandeling, maakt dit niet anders. Het dient immers te gaan om een veroordeling ter zake van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering, derhalve een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het wettelijke strafmaximum is bepalend. Strafverzwarende en/of strafverlichtende omstandigheden spelen slechts dan een rol als deze zijn opgenomen in een bijzondere delictsomschrijving. Hiervan is het in geval van veroordeelde geen sprake. Gelet op de hiervoor vermelde arresten waarin de Hoge Raad (o.a.: LJN: BC8231 en LJN: BC8234) heeft geoordeeld dat de uitzonderingen beperkt dienen te worden uitgelegd, zijn de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden, te weten de jeugdige leeftijd van veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit, het feit dat hij sinds de veroordeling door de kinderrechter niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, dat het nu erg goed gaat met veroordeelde en dat er geen vrees voor recidive bestaat, evenmin voldoende om aan te nemen dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde enerzijds en anderzijds het algemeen maatschappelijk belang is, zoals hiervoor reeds overwogen, blijkens de arresten van de Hoge Raad bij die beoordeling niet aan de orde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen