Rb. Haarlem 23 maart 2005, ECLI:NL:RBHAA:2005:AT1748
- perikelen rond verdeling van een erfenis op basis van oud erfrecht en verjaring van een vordering van de boedel op een der deelgenoten. - Ook indien niet alle deelgenoten partij zijn in een procedure strekkende tot verdeling van een nalatenschap is eiser ontvankelijk in zijn vordering. Dit volgt uit art. 677 en 680 lid 5 Rv. - Een vordering tot terugbetaling van een lening van de erflater die destijds aan de aan de (thans weigerachtige) deelgenoot is verstrekt, is vijf jaar na de laatste stuiting verjaard op grond van artikel 3:307 jo 3:319. In casu geen verlenging van de verjaringstermijn op grond van art. 3:321 lid 1 onder f. - De natuurlijke verbintenis die na verjaring resteert dient evenwel gedwongen te worden verrekend met het aan die deelgenoot toekomende erfdeel op grond van het bepaalde in artikel 6:131 en artikel 4:228 lid 1 (dat onmiddelijke toepassing vindt ook bij verdeling van vóór de inwerking treding van het nieuwe erfrecht opengevallen nalatenschappen).
De uitspraak op rechtspraak.nl