Rb. Gelderland 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7923
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren vanwege de (verlengde) uitvoer van cocaïne en heroïne.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/102201-26 en 22/002518-24 (tul)
Datum uitspraak : 12 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] .
Raadsman: mr. N. Claassen, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 5 april 2026 te Amsterdam en/of Wilp, gemeente Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
- ongeveer 5.886,59 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of
- ongeveer 13.954,31 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 4 april 2026 tot en met 5 april 2026 te Amsterdam en/of Wilp, gemeente Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 5.886,59 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of
- ongeveer 13.954,31 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 4 april 2026 tot en met 5 april 2026 te Amsterdam en/of Wilp, gemeente Voorst, althans in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto, voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en/of ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en/of te bemoeilijken.
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 5 april 2026 om 01.45 uur is verdachte staande gehouden op de rijksweg A1 ter hoogte van het knooppunt Beekbergen richting Deventer. Kort na de staande houding heeft de politie de auto doorzocht. In de auto bleken onder de bestuurdersstoel en de bijrijdersstoel verborgen ruimten ingebouwd te zijn, waarin pakketten werden aangetroffen die leken op drugspakketten. Het ging om 21 blokken, één gesealde beige zak van ongeveer 500 gram en 5 zwarte zakken van ongeveer 500 gram per stuk. Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) werden monsters van de pakketten positief getest op heroïne en cocaïne. Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat in de auto in totaal 5.886,59 gram van een stof is aangetroffen dat heroïne bevat en 13.954,31 gram van een stof is aangetroffen dat cocaïne bevat.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1 primair en onder feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en dat dit dient te resulteren in strafvermindering. Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Vormverzuim
Door de raadsman is aangevoerd dat sprake is geweest van een vormverzuim. Onder verdachte is een iPhone in beslag genomen, waarna verbalisant [verbalisant 1] de telefoon heeft ontgrendeld en de inhoud ervan heeft bekeken. Daarbij is gericht gezocht naar communicatie tussen verdachte en derden en zijn meerdere berichten gelezen in de periode van 3 april 2026 tot en met 4 april 2026, waaruit conclusies zijn getrokken over het bestaan en de aard van een affectieve relatie van verdachte en zijn privéplannen.
Ingevolge de recente Landeck-jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de daarop voortbouwende jurisprudentie van de Hoge Raad is voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist voor onderzoek aan een smartphone, als te verwachten is dat dit onderzoek een meer dan geringe inbreuk zal opleveren op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker. Van zo’n inbreuk is volgens de Hoge Raad al sprake, wanneer door het onderzoek inzicht wordt verkregen in de communicatie die door middel van de smartphone is uitgewisseld. Deze regels vloeien rechtstreeks voort uit de betreffende EU-regelgeving en worden dus geacht ook te hebben gegolden ten tijde van het onderhavige onderzoek.
De rechtbank stelt vast dat de verbalisant Whatsapp-berichten en -contacten van verdachte heeft bekeken, waarbij hij met name op zoek was naar berichten tussen verdachte en zijn vriendin waar verdachte volgens zijn verklaring naartoe onderweg zou zijn. Daarmee valt te verwachten dat persoonlijke foto’s, informatie over de relatie van verdachte en zijn privé afspraken worden bekeken. De rechtbank is van oordeel dat daardoor viel te verwachten dat het onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte zou (kunnen) opleveren, waardoor voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris was vereist. Aangezien de voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris om de inhoud van de telefoon te bekijken ontbrak, constateert de rechtbank dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
De rechtbank zal aan dit vormverzuim echter geen rechtsgevolg verbinden en volstaan met de constatering daarvan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de rechter-commissaris op een later moment alsnog toestemming heeft verleend voor het onderzoek aan de telefoon. Verder merkt de rechtbank op dat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad.
Feit 1
Verdachte heeft verklaard dat hij op 4 april 2026 de auto in Amsterdam heeft opgehaald en dat de auto daar werd geladen. Het klopt dat hij in de nacht van 4 op 5 april 2026 naar het oosten van het land is gereden en vervolgens staande is gehouden. Verdachte wist dat er in de auto verborgen ruimten zaten en dat deze ruimten als doel hebben om dingen te vervoeren die niet helemaal pluis zijn.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte op 5 april 2026 opzet had op het vervoeren en uitvoeren van cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland, zoals ten laste gelegd onder het primaire feit.
Opzet op aanwezig hebben drugs
De pakketten die in de verborgen ruimten zijn aangetroffen zijn bemonsterd op de aanwezigheid van biologische sporen. Onder meer werden van de buitenzijde van de vacuümzak, met een nettogewicht van 1984,60 gram bevattende heroïne, bemonsteringen genomen. In deze bemonsteringen werd een DNA-mengprofiel, afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man aangetroffen. Hieruit is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De mogelijke donor van het DNA-hoofdprofiel is verdachte. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte donor is van een relatief groot deel van het celmateriaal op de genoemde vacuümzak.
Van de buitenzijde van de vacuümzak met daarin vijf verpakkingen met crème gekleurde poeder en brokjes, met een nettogewicht van 2454,80 gram bevattende heroïne, werden bemonsteringen genomen. In deze bemonsteringen werd een DNA-mengpofiel, afkomstig van minimaal vier donoren, van wie zeker één man aangetroffen. De mogelijke donor van het DNA is verdachte. Uit het rapport van het TMFI blijkt dat de resultaten van het onderzoek ongeveer 5,3 miljoen keer waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 1 (de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en drie onbekende personen) juist is dan wanneer hypothese 2 (de bemonstering bevat DNA van vier onbekende personen) juist is. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte donor is van het celmateriaal op de genoemde vacuümzak.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte als bestuurder is aangetroffen van een auto met daarin verborgen ruimten en dat in die verborgen ruimten meerdere pakketten met drugs zijn aangetroffen. Verder stelt de rechtbank vast dat het DNA van verdachte is aangetroffen op meerdere pakketten die in de verborgen ruimten zijn aangetroffen en dat de pakketten er uitzagen als pakketten met drugs. Uit de aanwezigheid van het DNA van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte fysiek contact heeft gehad met deze pakketten. De rechtbank overweegt verder dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij wist dat de auto verborgen ruimten had, dat verborgen ruimten als deze worden gebruikt voor het vervoeren van goederen die ‘niet helemaal pluis’ zijn en dat de auto geladen was. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij pakketten in de verborgen ruimten vervoerde die cocaïne en/of heroïne zouden bevatten, waardoor minstens sprake is van voorwaardelijk opzet.
Verlengde uitvoer
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van verlengde uitvoer in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet. Onder verlengde uitvoer wordt verstaan het buiten het grondgebied van Nederland brengen en omvat alle handelingen waarvan het de bedoeling is dat drugs over de grens worden gebracht. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen voor verlengde uitvoer is dan ook niet vereist dat de drugs Nederland daadwerkelijk hebben verlaten.
De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm kan worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om met de drugs naar Duitsland (en uiteindelijk Denemarken) te rijden en deze dus buiten het grondgebied van Nederland te brengen. De rechtbank betrekt hierbij dat verdachte staande is gehouden op de rijksweg A1 van Amsterdam richting Duitsland. Daarnaast acht de rechtbank het volgende van belang.
Op 5 april 2026 werd bij verdachte een Samsung Galaxy A16 aangetroffen en in beslag genomen. Op dit toestel wordt Whatsapp gebruikt onder de naam ‘ [account] ’. De rechtbank stelt vast dat verdachte de gebruiker van dit Whatsapp-account was. Dit doet de rechtbank onder meer op basis van het chatbericht van [datum] 2026 om 21.47 uur waarin gestuurd wordt dat hij over twee uur jarig is. Verdachte heeft verklaard dat hij op [geboortedag] 2001 geboren is.
In een chatgesprek tussen [persoon] en [account] worden op 4 april 2026 de volgende berichten gestuurd:
01:36:05 uur [persoon] Hi bro. Morgen 20:00 uur amsterdam
09:52:02 uur [account] Isgoed ben 8 uur in adam
10:14:59 uur [persoon] Mag later brohter
We hebben 1 punt puckup
Kijk maar
10:34:45 uur [account] Ohh isgoed broer dan beter wat later anders
kom ik heel vroeg dk aan
Dan ga ik 8 uur richting de auto
10:41:40 uur incoming call from [persoon] .
10:48:39 uur [account] 1 via Gronau
2 niebull erover
3 kopenhagen
Deze route weer aanhouden tog
11:39:55 uur [persoon] Yes brohter perfect
13:57:28 uur Missed call from [persoon]
13:58:20 uur [persoon] Deleted by the sender
13:58:29 uur [persoon] Deleted by the sender
13:58:44 uur [persoon] Deleted by the sender
14:01:11 uur [account] Oke isgoed ga proberen me vervoer eerder laten komen
Waar gaan we laden
(…)
Ik word 7 opgehaald dan pas kan ik eta geven bij autp
En vanaf daar eta laden eta rotje etc
Rond 1945 auto.
In de telefoon was te zien dat via Google Maps op 4 april 2026 om 22.21 uur de volgende route was ingesteld:
Van: (51.942206, 4.554171) [adres] te Rotterdam
Naar: (52.215353, 6.980286) [adres] Gronau te Duitsland
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte de opdracht krijgt om op 4 april 2026 om 20.00 uur in Amsterdam te zijn. Vervolgens wordt besproken dat hij iets later kan komen en verdachte stuurt dan: ‘beter, anders kom ik heel vroeg dk aan’ (de rechtbank begrijpt: Denemarken). Verdachte vraagt aan [persoon] of hij weer de route ‘Gronau – Niebull – Kopenhagen’ moet aanhouden. Dit wordt door [persoon] bevestigd. Daarnaast blijkt uit onderzoek aan de telefoon van verdachte dat in Google Maps een adres in Gronau was ingevoerd.
In het licht van het voorgaande staat het voor de rechtbank vast dat verdachte met de verdovende middelen op weg was naar Duitsland, waardoor sprake is van verlengde uitvoer in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet.
Medeplegen
Uit de chatberichten blijkt dat verdachte op 4 april 2026 contact heeft gehad met twee onbekend gebleven personen: [persoon] en [persoon] . Verdachte houdt hen op de hoogte door onder meer naar [persoon] te sturen: “ben in auto”. [persoon] vraagt: “Planner is metje in contact toch”. Verdachte reageert met: “Jatog heb gevraagd of die kan lijkem voor plek om te laden zo”. Met [persoon] heeft verdachte zoals eerder besproken contact over de locatie van het laden en de route naar Denemarken. Verdachte heeft door het vervoeren van de drugs naar de (geplande) bestemming in Duitsland een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde. Als chauffeur was hij een onmisbare schakel in het (internationale) drugstransport. Uit de berichten blijkt dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met ten minste twee andere personen. De rechtbank oordeelt daarom dat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32;
- Rapport van bevindingen, onderzoek naar verborgen bergruimte door Douane Amsterdam, p. 134-136;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 28 september 2026.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1 primair
hij op of omstreeks 5 april 2026 te Amsterdam en/of Wilp, gemeente Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
- ongeveer 5.886,59 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of
- ongeveer 13.954,31 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 4 april 2026 tot en met 5 april 2026 te Amsterdam en/of Wilp, gemeente Voorst, althans in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto, voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en/of ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en/of te bemoeilijken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:
een vervoermiddel voorhanden hebben, wetende dat dit vervoermiddel is toegerust of ingericht met een ruimte als bedoeld in artikel 189a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een fors voorwaardelijk deel. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de rol van verdachte als vervoerder en het feit dat sprake is van samenloop tussen de feiten.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van grote hoeveelheden cocaïne en heroïne. Hij werd staande gehouden op de rijksweg A1 van Amsterdam richting Duitsland. In de auto waarin hij reed werden twee verborgen ruimten onder de bestuurders- en bijrijdersstoel met daarin drugspakketten aangetroffen. Dit zijn ernstige feiten. Het gaat om verdovende middelen die sterk verslavend werken en die schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het vervoer, de handel en het gebruik van deze verdovende middelen brengen daarnaast vele vormen van (zware) criminaliteit en overlast met zich mee. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland worden de internationale handel in verdovende middelen en alle nadelige effecten daarvan in stand gehouden. Verdachte heeft hieraan een bijdrage geleverd. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, omdat hij uit financiële motieven heeft gehandeld en zich niet om de gevolgen heeft bekommerd.
De reclassering heeft op 6 augustus 2026 gerapporteerd dat zij de leefgebieden financiën, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte als direct delictgerelateerde factoren zien. Daarnaast lijken impulsiviteit, een beperkt probleeminzicht ten aanzien van de gevolgen van zijn handelen en het maken van opportunistische keuzes van invloed te zijn geweest op het delictgedrag. Ook wordt het middelengebruik van verdachte als een risicoverhogende indirect delictgerelateerde factor gezien. Deze factoren hebben op elkaar ingewerkt en elkaar versterkt. De reclassering ziet als positieve factoren de vaste dagbesteding van verdachte en zijn (bovengemiddelde) inkomen uit legale werkzaamheden. Daarnaast heeft verdachte stabiele huisvesting bij zijn oma, waar hij na detentie naar terug kan keren. Het wordt van belang geacht dat verdachte door middel van een behandeling werkt aan zijn impulscontrole en het vergroten van zijn probleeminzicht. Daarnaast is middelencontrole om de eventueel hieruit voortvloeiende risico’s te monitoren en begeleiding op het gebied van financiën, waaronder het aflossen van schulden, noodzakelijk. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, contactverbod, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de LOVS-oriëntatiepunten die voor de uitvoer van een hoeveelheid van 10 tot 20 kilo harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 tot 60 maanden noemen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte tot nu in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zoals door de verdediging is bepleit.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusies. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten waarvoor hij een straf moet krijgen. Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat verdachte de gepaste hulp en ondersteuning krijgt van de reclassering om te werken aan zijn impulscontrole en het vergroten van zijn probleeminzicht. Daarbij zijn ook middelencontrole en begeleiding op het gebied van financiën van belang. Verder acht de rechtbank het van belang dat een forse voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd als waarschuwing om zich niet nog een keer met dergelijke feiten in te laten. Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden en zal zij aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden opleggen. Een deel van deze straf, namelijk 12 maanden, is voorwaardelijk en de rechtbank verbindt hier een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8 De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen Peugeot 3008 met Tsjechisch kenteken [kenteken] , waarmee feit 1 en feit 2 zijn begaan wordt onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
9 De vordering tot tenuitvoerlegging
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 4 juli 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft gevraagd om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, zodat nog een (aanvullend) voorwaardelijk deel boven het hoofd van verdachte blijft hangen.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer leggen.
10 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 en 189a van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
11 De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, locatie Rotterdam, op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam.
Ambulante behandeling
Dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, het leren beheersen van impulsen en het verkrijgen van inzicht in delictgedrag. In het kader van de behandeling dient tevens een delictanalyse plaats te vinden, gericht op het in kaart brengen van de risicofactoren, delictdynamiek en aangrijpingspunten voor recidivepreventie.
Contactverbod
Dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met de medeverdachte, de heer [medeverdachte] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] .
Aflossing schulden
Dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Beheersing middelengebruik en behandeling.
Dat betrokkene gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Indien middelencontroles een zorgelijk beeld weergeven betreffende zijn gebruik, dan werkt betrokkene mee aan een behandeling gericht hierop.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de volgende voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, aflossing schulden, beheersing middelengebruik en behandeling, en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 4 juli 2025 door het hof voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 20 dagen gevangenisstraf (parketnummer 22/002518-24);
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de Peugeot 3008 met Tsjechisch kenteken [kenteken] .
Dit vonnis is gewezen door mr. O. El Kadi (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. A.T.G. van Wandelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Hut, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2026.
mr. El Kadi is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.