Rb. Gelderland 25 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7792

veroordeling wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 700 kilogram lachgas tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 200 uur.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/106953-26; 05-306570-25 (tul); 05-246395-25 (tul); 05-326549-24 (tul)
Datum uitspraak : 25 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] ,
raadsman: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat in Deventer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
700 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas),
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

Op woensdag 8 april 2026 rond 22.23 uur kwamen verbalisanten ter plaatse op [adres] in Bemmel, een doodlopende weg in het buitengebied van Bemmel. Zij zagen daar een blauwe Peugeot Expert met kenteken [kenteken] (hierna: de Peugeot) en een witte Renault Traffic met kenteken [kenteken] (hierna: de Renault). Een man kwam met zijn handen omhoog achter de busjes vandaan lopen. De man was nerveus, liep heen en weer en bibberde. Deze man bleek later verdachte te zijn. Verbalisant liep om de busjes heen naar de achterkant. Van beide busjes stonden de achterdeuren open. Verbalisant zag in beide busjes een groot aantal langwerpige dozen liggen. Hij herkende aan de vorm van de dozen, de opdruk en de gevarenlabels, dat het dozen zijn waarin lachgasflessen zitten. Verbalisant hoorde verdachte zeggen dat er nog iemand was weggegaan bij de bussen. Verdachte vroeg aan verbalisant of verbalisant zijn jas, sigaretten en huissleutels uit de Peugeot wilde halen. Verbalisant pakte deze goederen. De sleutel betrof een autosleutel, verbalisant hoorde verdachte zeggen dat hij dan zijn huissleutels waarschijnlijk al aan zijn vriendin had gegeven.

Verbalisanten hoorde verdachte tijdens het vervoer zeggen dat ‘die andere vent’ nog ergens in het weiland ligt en dat hij een korte broek aan heeft en korte mouwen heeft. Verdachte zei dat dat het veel te koud is buiten en dat hij "wel had het weiland in kunnen rennen zoals hem maar dan heb je zo een hond in je been hangen, of wordt je getaserd." Verdachte zei verder dat er 350 dozen lachgas in zijn bus lagen en dat het een vermoeiende klus was om de dozen over te hevelen van de ene bus naar de andere bus.

De medeverdachte [medeverdachte] werd later rond 00.20 uur aangehouden in een sloot die zich ongeveer 20 meter van de bestelauto’s bevond. De sleutel die paste op de Renault werd later ook in deze sloot aangetroffen nabij de plaats waar in de sloot sporen werden aangetroffen dat er een persoon in had gelegen.

De politie heeft onderzoek ingesteld naar de lading dozen in beide bussen. In de Peugeot lagen 266 dozen. Na onderzoek bleken deze dozen gevuld te zijn met 266 cilinders met elk 2 kilogram lachgas. In de Renault lagen 84 dozen die gevuld waren met 84 cilinders met elk 2 kilogram lachgas. De afsluiters van deze 350 (266+84) cilinders waren voorzien van een plastic afsluitdop. Verbalisant leidde hieruit af dat de drukhouders daadwerkelijk gevuld waren. Er werd derhalve 700 kg (532+168) lachgas aangetroffen.

De rechtbank stelt voorop dat voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist is dat deze zich a) in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarnaast is vereist dat de verdachte b) wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte is aangetroffen in het buitengebied van Bemmel op een doodlopende weg en dat hij, toen de politie eraan kwam, met zijn handen omhoog vanachter twee bussen aangelopen kwam waar later 700 kg lachgas in is aangetroffen. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachtes jas, sigaret en sleutels (van de bus) in de Peugeot lagen. Daarnaast is één andere verdachte aangetroffen. Het ging om een afgelegen plek, waar verder niemand was en verder niks te doen was. De rechtbank stelt vast dat verdachte direct toegang had tot de in de bussen aangetroffen dozen met flessen lachgas en dat verdachte deze flessen daardoor in zijn machtssfeer had.

Wat betreft de wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen wijst de rechtbank op de verklaring die verdachte tegen verbalisanten heeft afgelegd waarin hij zei dat het ging om 350 flessen lachgas en dat het overhevelen ervan van de ene naar de andere bus een vermoeiende klus was geweest. Dat verdachte ter zitting verklaarde dat hij er niks mee te maken had en hij daar slechts een sigaretje aan het roken was, komt in dat licht bezien niet geloofwaardig over. Alle voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd zijn redengevend voor het bewijs dat verdachte wist dat zich in die bussen flessen met lachgas bevonden. Hij wist immers zelfs het exacte aantal te noemen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 8 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

700 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas),

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte de maatregel kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet op te leggen voor een bedrag van € 5.250,00.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het geval van een veroordeling oplegging van een werkstraf bepleit.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 700 kilogram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas, onder meer door het verslavende karakter ervan, een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Daarnaast worden de verpakkingen van lachgas door gebruikers ervan vaak in de openbare ruimte en het milieu achtergelaten zodat ook hierdoor schade ontstaat. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze nadelige gevolgen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte merkt de rechtbank op dat uit zijn strafblad van 25 augustus 2026 volgt dat hij meermaals eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder voor een soortgelijk feit. Kennelijk heeft verdachte daar geen lering uit getrokken.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 augustus 2026. Daaruit blijkt dat verdachte sinds het voorjaar van 2026 een voorzichtig positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Zo wordt hij ambulant begeleid door [instelling] (op vrijwillige basis) en staat hij onder bewind. [instelling] heeft aan de reclassering het beeld geschetst van een jongeman die in de afgelopen jaren een sterk beschermingsmechanisme heeft ontwikkeld; naar buiten toe presenteert hij zich als iemand die 'stoer', sterk en zelfstandig is, terwijl daarachter een kwetsbare jongeman schuilgaat die wordt overspoeld door verschillende problemen. Hij wordt veel overvraagd, terwijl hij niet in staat is om de omvang en samenhang van zijn problematiek volledig te overzien. Ondanks deze kwetsbaarheid zien zij dat verdachte daadwerkelijk verandering wil. Er is inmiddels sprake van meer stabiliteit (wonen, werk en

financiën), toenemende motivatie (voornamelijk vanwege zijn dochter), grotere bereidheid tot

gedragsverandering, meer zelfinzicht en vertrouwen in de begeleiding. [instelling] is van mening dat zij passende begeleiding kunnen bieden die aansluit bij de behoefte van verdachte.

Verder heeft hij een nieuwe relatie en is er een omgangsregeling met zijn dochter. Hij lijkt mogelijk afstand te hebben genomen van het negatieve netwerk. Het recidiverisico wordt desondanks als gemiddeld ingeschat.

In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven en met een onwaarschijnlijk verhaal geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft genomen.

Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van lachgas zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank daarom gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 200 uur passend. De rechtbank gaat niet over tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals geëist, nu de rechtbank verdachte een kans wil geven de voorzichtig positieve weg die hij is ingeslagen verder door te zetten. Hierbij speelt zijn nog jonge leeftijd een rol en het feit dat hij zelf passende hulp heeft gezocht en die uiteindelijk bij [instelling] heeft gevonden. Deze straf is per saldo hoger dan door de officier van justitie geëist, maar doordat de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd en verdachte een substantiële werkstraf moet uitvoeren, vindt de rechtbank deze straf passend bij het feit en bij deze verdachte. De rechtbank neemt in overweging dat hiernaast ook over een aantal vorderingen tenuitvoerlegging zal worden beslist.

Maatregel kostenverhaal

Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid (zoals hier de lachgascilinders), worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de veroordeelde kunnen worden verhaald. Immers anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd.

Een enkel proces-verbaal van de politie waarin de kosten van vernietiging zijn vermeld, is zonder onderliggende stukken waarop de berekening van die kosten is gebaseerd daartoe onvoldoende. De rechtbank verwijst naar de memorie van toelichting van deze wetsbepaling, waarin is vermeld:

“Om de rechter inzicht te geven in de gemaakte kosten is het nodig dat het openbaar ministerie aan het zaaksdossier een overzicht toevoegt van de gemaakte kosten voor de vernietiging van het inbeslaggenomen voorwerp. Als de kosten zijn gemaakt door een derde partij, kan worden volstaan met (kopieën van) de facturen die voor de verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht. Als de vernietiging van meerdere partijen inbeslaggenomen voorwerpen gelijktijdig plaatsvindt, zijn de kosten voor de vernietiging van een bepaald voorwerp of van een bepaalde partij voorwerpen in veel gevallen enkel inzichtelijk te maken en te verantwoorden op basis van de gemiddelde kostprijs van de vernietiging van de desbetreffende stof per kilo. Indien de betrokken overheidsinstantie de kosten heeft gemaakt, dienen deze zo specifiek mogelijk te worden verantwoord.”

De rechtbank zal gelet daarop daarom in deze zaak niet overgaan tot oplegging van de maatregel kostenverhaal nu een dergelijke specificatie ontbreekt.

8 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

05/246395-25

De politierechter heeft verdachte op 5 december 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen.

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf. De raadsman heeft gepleit voor verlenging van de proeftijd.

Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

05/306570-25

De politierechter heeft verdachte op 27 februari 2026 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen.

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf. De raadsman heeft gepleit voor verlenging van de proeftijd.

Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

05/326549-24

De politierechter heeft verdachte op 17 april 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, nu deze voorwaardelijke straf reeds ten uitvoer gelegd lijkt te zijn. De raadsman heeft datzelfde bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 legt op een taakstraf van 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

De beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging

 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 5 december 2025 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 14 dagen gevangenisstraf (parketnummer 05/246395-25);

 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 27 februari 2026 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 14 dagen gevangenisstraf (parketnummer 05/306570-25)

 verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 17 april 2025 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uur af (parketnummer 05/326549-24).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken