Rb. Gelderland 29 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7786
Verhoging verkeersboetes per 1 maart 2024; geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verwijzing naar uitspraak rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3945) en arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719). Het is in beginsel niet aan de rechter om de juistheid en evenredigheid van de hoogte van de verkeersboetes in zijn algemeenheid te beoordelen. Wel toetsing boetebedrag o.g.v. evenredigheidsbeginsel aan concrete omstandigheden van het geval (art. 5:46 Awb), zoals bijv. verminderde verwijtbaarheid gedraging, beperkte ernst overtreding, beperkte financiële draagkracht betrokkene (zie arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:4078). Gelijkluidend oordeel in acht andere zaken van dezelfde zittingsdatum van dezelfde gemachtigde.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
proces-verbaal/uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaakgegevens 11872315 \ BR VERZ 25-322 \ 38194
cjib-nr / registratienr 271882358 / 02LGF9
zitting van 15 juli 2026
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
wonende te [adres] [woonplaats]
betrokkene
[gemachtigde] , Verkeersboete.nl
tegen
de officier van justitie
De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter mr. J.M. Breimer, bijgestaan door mr. E.C. Stein als griffier.
Namens de officier van justitie is aanwezig, mr. F. Buddingh, medewerker van de Centrale Verwerkingseenheid Openbaar Ministerie als zittingsvertegenwoordiger, hierna te noemen de officier van justitie.
Gemachtigde is ter zitting verschenen.
De kantonrechter vat, met verwijzing naar de beslissing van de officier van justitie en het inleidende beroepschrift, kort samen wat tussen partijen in geschil is.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het parkeren van een voertuig, met kenteken [kenteken] , op een parkeergelegenheid met een ander doel dan op het (onder)bord is aangegeven, 25 januari 2025 om 14.51 uur, te Zutphen, De Clerqstraat.
De gemachtigde verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:
Ik verwijs naar de aanvullende gronden van 8 juli 2026 en wil nog het volgende naar voren brengen.
Het betrof eerst één parkeerplaats voor het opladen van elektrische voertuigen, die plek werd aangegeven door middel van een pijl op het onderbord, zie de foto in de gronden. Betrokkene parkeerde altijd naast die plek, wat dus was toegestaan. De pijl op het onderbord is verwijderd. Omdat betrokkene al jarenlang op deze locatie parkeert, heeft hij niet opgemerkt dat de situatie was gewijzigd. Daarnaast is er geen gepubliceerd verkeersbesluit waaruit blijkt dat de tweede parkeerplaats in de De Clercqstraat als laadplaats voor elektrische voertuigen is aangewezen.
Verder is de bebording in strijd is met de beleidsregels. Een bord E4 met alleen de letter P is onvoldoende; op het bord moet ook een laadkabel zijn afgebeeld. Ik verwijs naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 januari 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:576), waarin is overwogen dat de tekst op het onderbord bij bord E4 slechts inhoudt ‘alleen elektrische voertuigen’ en dat daaruit niet volgt dat een voertuig alleen mag parkeren wanneer het daadwerkelijk wordt opgeladen.
De officier van justitie verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:
Het voertuig van betrokkene stond niet aangesloten op een laadpunt en werd dus niet opgeladen. Het verkeersbord stond tussen de twee parkeerplaatsen en gold voor beide plaatsen, dat was voldoende duidelijk. Indien een voertuig daar geparkeerd staat, moet het dus daadwerkelijk worden opgeladen. Dat betrokkene per ongeluk daat heeft geparkeerd omdat hij niet had opgemerkt dat de situatie was gewijzigd komt voor zijn eigen rekening en risico.
Wat betreft de grond over het verkeersbesluit verwijs ik naar het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1055). Het is niet aan de weggebruiker om te beoordelen of een verkeersbord overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. De weggebruiker moet gevolg geven aan wat er op het bord staat. Alleen in situaties waarin de bebording zo onmiskenbaar onjuist is dat voor de weggebruiker onduidelijkheid ontstaat, kan dat anders zijn. Daarvan is hier geen sprake.
Het arrest ECLI:NL:GHARL:2020:576 ziet op een andere situatie, omdat daar op het bord slechts ‘alleen elektrische voertuigen’ stond. In deze zaak staat op het bord ‘opladen elektrische voertuigen’, zodat duidelijk is dat het voertuig daadwerkelijk moet worden opgeladen.
De kantonrechter sluit de behandeling en doet uitspraak.
Gronden voor de beslissing:
De kantonrechter overweegt als volgt.
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
In Wahv-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7825).
Van de verweten gedraging bevinden zich foto’s in het dossier.
De kantonrechter volgt het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:1447) dat het onderbord in dit geval niet alleen een voertuigcategorie aanduidt, maar tevens een voorwaarde stelt aan het parkeren ter plaatse, namelijk dat het voertuig wordt opgeladen. Uit de tekst ‘opladen elektrische voertuigen’ volgt voor de weggebruiker voldoende duidelijk dat de parkeerplaats uitsluitend mag worden gebruikt voor het opladen van elektrische voertuigen. Dat op het bord E4 tevens een afbeelding van een laadkabel zou moeten zijn opgenomen, vindt geen steun in de toepasselijke regelgeving of jurisprudentie.
Dat de pijl op het onderbord is verwijderd, maakt dit niet anders. Het bord stond tussen de twee parkeerplaatsen en was daarmee voor de weggebruiker kenbaar bedoeld voor beide parkeerplaatsen. Van een onduidelijke of misleidende verkeerssituatie is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Dat betrokkene de wijziging van de situatie niet heeft opgemerkt omdat hij zijn auto al jarenlang op deze locatie parkeerde, komt voor zijn eigen rekening en risico.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de verweten gedraging verricht en betrokkene daarvoor aansprakelijk.
Voor zover de gemachtigde stelt dat een afzonderlijk verkeersbesluit ontbreekt, overweegt de kantonrechter dat het ontbreken daarvan niet zonder meer betekent dat aan de aanwezige bebording geen betekenis toekomt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1055) overwogen dat het niet ter beoordeling van een weggebruiker is of een verkeersbord overeenkomstig voorschriften en terecht is geplaatst. Ook op grond van eisen van verkeersveiligheid kan deze beoordeling niet aan de weggebruiker worden overgelaten. Een weggebruiker zal gevolg moeten geven aan een verkeersteken, ook als hij van mening is dat dit teken ten onrechte is geplaatst. Dit geldt mede omdat andere weggebruikers op de naleving van dat verkeersteken mogen vertrouwen. Alleen in uitzonderlijke gevallen, waarin de situatie zo onmiskenbaar afwijkt van de situatie waarop het verkeersbord betrekking heeft dat het opvolgen daarvan de verkeersveiligheid in gevaar zou brengen, kan dit anders zijn. Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake.
In het (zeer summier) gevoerde verweer over de verhoging van de verkeersboetes per 1 maart 2024 en de strijd van deze verhoging met het evenredigheidsbeginsel is verwezen naar twee uitspraken van rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) en 1 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3889).
De kantonrechter is van oordeel, anders dan in de door de gemachtigde genoemde uitspraken en overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3945), dat de verhoging van de Wahv-boetes per 1 maart 2024 niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter sluit zich aan bij de in die uitspraak weergegeven motivering, inclusief de verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719, zie in het bijzonder rechtsoverwegingen 9-12). Het is in beginsel niet aan de rechter om de juistheid en evenredigheid van de hoogte van de verkeersboetes in zijn algemeenheid te beoordelen.
Wel mag en moet de kantonrechter bij de beoordeling van de zaak de concrete omstandigheden van het geval meewegen bij de beoordeling of het opgelegde boetebedrag redelijk is (artikel 5:46 van de Algemene Wet bestuursrecht). Dat de rechter in dit soort zaken de hoogte van de verkeersboete zonder meer op basis van het evenredigheidbeginsel mag toetsen aan de concrete omstandigheden van het geval (bijvoorbeeld de verminderde verwijtbaarheid van de gedraging, de beperkte ernst van de overtreding, de beperkte financiële draagkracht van betrokkene) is recent nog bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de uitspraak van 19 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:4078).
Gelet op de omstandigheden en de aard en ernst van de gedraging is het sanctiebedrag van € 120,- in dit geval niet onevenredig. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding de sanctie te matigen.
Er zal daarom als volgt worden beslist.
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.M. Breimer, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Midden-Nederland 3 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3945
- Rb. Midden-Nederland 1 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3889
- Rb. Midden-Nederland 30 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3707
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4078
- Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1447
- HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1055
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:576
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7825