Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719
Verhoging van de sanctietarieven per 1 maart 2024. Dat de financiële taakstelling van de overheid bij de onderhavige verhoging van het sanctietarief een rol heeft gespeeld, maakt niet dat is gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir of met het specialiteitsbeginsel. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit waarbij de sanctietarieven per 1 maart 2024 zijn verhoogd blijkt echter niet dat de regelgever heeft beoordeeld of het (uiteindelijk) vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Dit dient dus door het hof te worden beoordeeld. Het hof oordeelt dat het bedrag van de hier opgelegde sanctie in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de onderhavige gedraging. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is in dit geval dus geen sprake. De slotsom is dat het bij het Besluit voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief niet in strijd is met de door de betrokkene genoemde algemene rechtsbeginselen en dus mag worden toegepast.
De uitspraak op rechtspraak.nl