Rb. Gelderland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7785

Verhoging verkeersboetes per 1 maart 2024; geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verwijzing naar uitspraak rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3945) en arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719). Het is in beginsel niet aan de rechter om de juistheid en evenredigheid van de hoogte van de verkeersboetes in zijn algemeenheid te beoordelen. Wel toetsing boetebedrag o.g.v. evenredigheidsbeginsel aan concrete omstandigheden van het geval (art. 5:46 Awb), zoals bijv. verminderde verwijtbaarheid gedraging, beperkte ernst overtreding, beperkte financiële draagkracht betrokkene (zie arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:4078). Gelijkluidend oordeel in twee andere zaken van dezelfde datum van dezelfde gemachtigde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

proces-verbaal/uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaakgegevens 11863606 \ BR VERZ 25-317 \ 38194

cjib-nr / registratienr 269209534 / 02HQKD

zitting van 15 juli 2026

beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

[betrokkene]

wonende te [adres] [woonplaats]

betrokkene

gemachtigde Fixiq Legal/ Bezwaartegenverkeersboetes.nl

tegen

de officier van justitie

De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter mr. J.M. Breimer, bijgestaan door mr. E.C. Stein als griffier.

Namens de officier van justitie is aanwezig, mr. F. Buddingh, medewerker van de Centrale Verwerkingseenheid Openbaar Ministerie als zittingsvertegenwoordiger, hierna te noemen de officier van justitie.

Gemachtigde en betrokkene zijn niet ter zitting verschenen.

De kantonrechter vat, met verwijzing naar de beslissing van de officier van justitie en het inleidende beroepschrift, kort samen wat tussen partijen in geschil is.

Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het als bestuurder van het voertuig, met kenteken [kenteken] , op een weg met verkeer in beide richtingen de doorgetrokken streep overschrijden, op 21 september 2024 om 15.51 uur, te Warnsveld, Lochemseweg (N346).

De officier van justitie verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:

Ik heb geen reden te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant. De gemachtigde heeft de gedraging slechts in algemene bewoordingen ontkend. Dat is onvoldoende om aan de juistheid van de waarneming van de verbalisant te twijfelen. De gedraging is verricht. Ik verzoek de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren Het openbaar ministerie neemt geen standpunt in over de vraag of het sanctiebedrag op grond van de evenredigheid moet worden gematigd.

De kantonrechter sluit de behandeling en doet uitspraak.

Gronden voor de beslissing:

De kantonrechter overweegt als volgt.

Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.

In Wahv-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7825).

Van de verweten gedraging bevinden zich foto’s in het dossier.

Er is geen reden om te twijfelen aan de - in het zaakoverzicht weergegeven - bevindingen van de verbalisant. De enkele ontkenning van gemachtigde namens de betrokkene dat betrokkene de gedraging heeft begaan is daarvoor onvoldoende.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de verweten gedraging verricht en betrokkene daarvoor aansprakelijk.

In het (zeer summier) gevoerde verweer over de verhoging van de verkeersboetes per 1 maart 2024 en de strijd van deze verhoging met het evenredigheidsbeginsel is verwezen naar twee uitspraken van rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) en 1 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3708).

De kantonrechter is van oordeel, anders dan in de door de gemachtigde genoemde uitspraken en overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3945), dat de verhoging van de Wahv-boetes per 1 maart 2024 niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter sluit zich aan bij de in die uitspraak weergegeven motivering, inclusief de verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719, zie in het bijzonder rechtsoverwegingen 9-12). Het is in beginsel niet aan de rechter om de juistheid en evenredigheid van de hoogte van de verkeersboetes in zijn algemeenheid te beoordelen.

Wel mag en moet de kantonrechter bij de beoordeling van de zaak de concrete omstandigheden van het geval meewegen bij de beoordeling of het opgelegde boetebedrag redelijk is (artikel 5:46 van de Algemene Wet bestuursrecht). Dat de rechter in dit soort zaken de hoogte van de verkeersboete zonder meer op basis van het evenredigheidbeginsel mag toetsen aan de concrete omstandigheden van het geval (bijvoorbeeld de verminderde verwijtbaarheid van de gedraging, de beperkte ernst van de overtreding, de beperkte financiële draagkracht van betrokkene) is recent nog bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de uitspraak van 19 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:4078).

Gelet op de omstandigheden en de aard en ernst van de gedraging is het sanctiebedrag van € 300,- in dit geval niet onevenredig. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding de sanctie te matigen.

Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Er zal daarom als volgt worden beslist.

Beslissing

De kantonrechter:

-verklaart het beroep ongegrond.

-wijst het verzoek om toekenning van proceskosten af.

Waarvan proces-verbaal,

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.M. Breimer, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken