Rb. Gelderland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4765
De partner van belanghebbende heeft een te verrekenen verlies uit aanmerkelijk belang uit 2011. Belanghebbende en haar partner hebben aangiften IB/PVV 2019 en 2020 ingediend, waarbij belanghebbende recht heeft op de uitbetaling van de algemene heffingskorting. Vervolgens dient de partner van belanghebbende een verzoek in om het verlies uit aanmerkelijk belang om te zetten in een belastingkorting. De inspecteur past het verzoek toe. De partner van belanghebbende krijgt een bedrag terug voor beide jaren. De inspecteur legt navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 op aan belanghebbende voor het verschil tussen de uitbetaalde heffingskortingen en de heffingskortingen waar zij na verrekening van de belastingkorting bij haar partner recht op heeft. De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Wel vermindert de rechtbank de belastingrente. De rechtbank ziet reden om naar analogie van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2022 de belastingrente te verminderen op de wijze die besproken is in de kamerstukken en vooruitlopend op de invoering van artikel 30ia van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dit wetsartikel alvast toe te passen.
De uitspraak op rechtspraak.nl