Rb. Gelderland 29 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5399

Beslissing op het hoger beroep van de officier van justitie op de beslissing van de rechter-commissaris, die de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard in het verzoek. De officier van justitie heeft bij de rechter-commissaris op de voet van artikel 181 Sv gevorderd onderzoekshandelingen te verrichten bestaande uit het, kort gezegd, filteren van een e-mailbox die met toepassing van artikel 126aa Sv aan de procestukken in deze zaak moet worden toegevoegd en het selecteren daaruit van eventueel aanwezige mailberichten en/of bijlagen/bestanden voorover die kennelijk afkomstig zijn van of bestemd zijn voor geheimhouders en deze af te scheiden van deze mailbox, opdat het restant beschikbaar kan worden gesteld voor het onderzoeksteam ten behoeve van de opsporing in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek. Ter onderbouwing van zijn oordeel heeft de rechter-commissaris verwezen naar de wettekst van artikel 126aa Sv, de wetsgeschiedenis en -toekomst en de toelichtingen daarop. De conclusie die daar volgens de rechter-commissaris uit moet worden getrokken is dat in deze procedure door de wetgever uitdrukkelijk de officier van justitie als bevoegde functionaris is aangewezen als het gaat om geheimhoudersgegevens. De rechter-commissaris heeft met een beroep op de wetgeschiedenis geconcludeerd dat dit een ook uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever, anders dan bij de procedure op de voet van artikel 98 Sv. Dat is dan ook de reden dat de expertgroep rechters-commissaris, en in navolging daarvan de rechter-commissaris, van oordeel is dat hij geen rol heeft in de procedure ex artikel 126aa Sv zodat de vordering van de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Beslissing rechter-commissaris is op goede gronden genomen. ongegrondverklaring hoger beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken