Rb. Gelderland 4 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4967
Beroep gegrond tegen afwijzing aanvraag voor een tillift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen tussen de Wlz en de Wmo 2015. Dit is vastgelegd gebracht in artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Als aan deze voorwaarden is voldaan dan is het college, behoudens het bepaalde in artikel 8.6a van de Wmo 2015, niet gehouden om een maatwerkvoorziening te verstrekken. De rechtbank is met het college van oordeel dat de uitzonderingssituatie van artikel 8.6a van de Wmo 2015 niet op de situatie van eiseres van toepassing is. Daarom kan het college op grond van de Wmo 2015 de maatwerkvoorziening, in de vorm van een tillift, weigeren. Desondanks kan het college wel maatwerkvoorzieningen verstrekken op grond van de Wmo 2015. Bij het uitoefenen van die bevoegdheid heeft het college een zeer ruime beslissingsruimte, waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden. Niet gebleken is dat het college de rechtstreeks alle bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. Het college heeft daarbij in het geheel niet gekeken naar de belangen van eiseres bij het wel verstrekken van de gevraagde tillift. Laat staan dat dit belang is afgewogen tegen het belang van het college om de tillift niet te verstrekken. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl