Rb. Gelderland 9 december 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:6838
Geen grondslag voor de herziening en terugvordering van bijstand over de periode van 12 april 2016 tot 2 september 2020. Periode van 12 april 2016 tot 23 juni 2017: de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, brengt niet mee dat de bijstand die over de aan dat besluit voorgaande periode is verleend op die grond kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Periode van 23 juni 2017 tot 1 maart 2018 (de datum van het besluit op bezwaar van Staatssecretaris): gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 11, tweede lid, van de Pw. De partner van eiseres beschikte tot 23 juni 2017 over een verblijfsvergunning, omdat hij tijdig bezwaar had ingesteld tegen het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en mocht de beslissing op het bezwaar in Nederland afwachten. Door de gegrondverklaring van het beroep tegen het intrekkingsbesluit is de verblijfsvergunning van partner met ingang van 23 juni 2017 herleefd. Deze gelijkstelling eindigde op 2 september 2020, de datum waarop de Afdeling de uitspraak van de rechtbank heeft vernietigd. Dat achteraf vast is komen te staan dat de toelating terecht is beëindigd, laat de gelijkstelling met een Nederlander, op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw gedurende die periode onverlet.
De uitspraak op rechtspraak.nl