CRvB 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1495

Intrekking en terugvordering bijstand. Periode 1) Appellante, van Afghaanse nationaliteit, had in de periode van 27 november 2007 tot en met 20 oktober 2011 als een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling recht op bijstand. Aangezien appellante als een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling recht op bijstand en er dus, anders dan het college meent, geen sprake was van ten onrechte verleende bijstand als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB, was het college niet bevoegd de bijstand van appellante over die periode in te trekken. Periode 2) De gelijkstelling eindigde op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB op 21 oktober 2011. Aangezien zij vanaf die datum evenmin op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, valt appellante onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan haar, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, in die periode geen bijstand ingevolge de WWB worden verleend. Gelet hierop was het college bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 21 oktober 2011 in te trekken. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen