Rb. Gelderland 11 januari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:89
Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiseres tijdens het subsidiejaar de verplichtingen verbonden aan het pgb niet is nagekomen of niet langer voldeed aan de voorwaarden voor verlening van het pgb. Daarmee is feitelijke grondslag voor de herziening van het pgb over dat subsidiejaar gegeven. Verweerder heeft aan de intrekking van het pgb over het lopende subsidiejaar artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder c, van de Rlz ten grondslag gelegd. Deze bevoegdheid vloeit impliciet voort uit de verplichting van verweerder om het pgb te weigeren wanneer de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van het pgb niet aan de opgelegde verplichtingen heeft gehouden (artikel 3.3.3, vijfde lid, van de Wlz). Voordat verweerder kan overgaan tot de intrekking of wijziging van het pgb over een lopend subsidiejaar, zal verweerder wel eerst alle bij het te nemen besluit betrokken belangen moeten afwegen, temeer omdat het hier om een voor eiseres belastend besluit gaat. Verweerder heeft dat nagelaten. Omdat eiseres enige tijd gegund moet worden haar zorg anders in te richten, had verweerder aan eiseres een uitlooptermijn van tenminste drie maanden moeten gunnen. De rechtbank voorziet zelf.
De uitspraak op rechtspraak.nl