Rb. Gelderland 24 januari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:384

Kwaliteitseisen kinderopvang Aanwijzingsbesluit. De rechtbank overweegt dat nu niet in geschil is dat er ten tijde van belang voor BSO Sprong geen oudercommissie was ingesteld door eiseres, artikel 1.58, eerste lid, van de Wkkp was overtreden en verweerder dus bevoegd was om de aanwijzing te geven. De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zitting heeft erkend dat de gehanteerde werkwijze niet overeenkwam met de in het pedagogisch beleidsplan beschreven werkwijze. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het inspectierapport voldoende duidelijk en concreet blijkt wat eiseres wordt verweten. Nu uit voorgaande volgt dat eiseres artikel 7 van de Regeling Kwaliteit heeft overtreden, was verweerder bevoegd om de aanwijzing op te leggen. Boetebesluit. Nu het inspectierapport de vereiste gegevens van artikel 5:48, tweede lid, van de Awb, bevat heeft verweerder het inspectierapport terecht kunnen aanmerken als boeterapport. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel die zich hiertegen verzet. Het onderzoek verkeerde derhalve op het moment van de inspecties in de toezichtsfase en van een (concreet) voornemen om een bestraffende sanctie op te leggen, ofwel een ‘criminal charge’, was geen sprake. In deze fase was artikel 5:10 van de Awb derhalve nog niet van toepassing. Van onrechtmatig verkregen bewijs is derhalve geen sprake. In artikel 1.61, eerste lid, van de Wko is de GGD aangewezen als toezichthouder op de naleving van de kwaliteitseisen. Artikel 2.21, eerste lid, bepaalt dat de toezichthouder zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vastlegt in een inspectierapport. De GGD wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. In de Wko is verder bepaald dat verweerder ingrijpt als de GGD tekortkomingen constateert. Hieruit volgt dat aan de bevindingen van een medewerker van de GGD als toezichthouder een ander gewicht toekomt dan aan een losse getuigenis en dat verweerder zich op het inspectierapport heeft mogen baseren. Nu eiseres houder is van het kindercentrum is eiseres reeds hierom overtreder. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Slavenburg-criteria niet op onderhavige zaak van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat het Handhavingsbeleid als zodanig niet onredelijk of disproportioneel zijn. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tijdens de inspectie de risico-inventarisatie niet kon worden getoond. Evenmin is deze binnen de door verweerder geboden termijn van 24 uur na de inspectie alsnog aan de toezichthouder toegestuurd. De rechtbank acht de geboden termijn niet onredelijk. Daarmee heeft eiseres artikel 11, lid 4, van de Regeling Wkkp overtreden en daarmee een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van de Wkkp. Op grond van artikel 1.72 van de Wkkp was verweerder bevoegd daarvoor een boete op te leggen. Dat later is gebleken dat de bedoelde stukken er wel waren, kan hieraan niet afdoen, omdat gelet op de wet- en regelgeving een risico-inventarisatie reeds ten tijde van de inspectie, dan wel onverwijld daarna, moet worden overgelegd. De rechtbank leidt uit de bewoordingen van artikel 2, eerste lid, sub b van het Besluit af dat het gaat om één inventarisatie van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s met in ieder geval één plan van aanpak. Er kan daarom slechts sprake zijn van één overtreding indien op onderdelen niet wordt voldaan aan de voorwaarde, waarvoor één boete kan worden opgelegd. Geen matiging, geknoeid met e-mails. Dwangsombesluit. De rechtbank stelt vast dat het dwangsombesluit is ingetrokken omdat eiseres aan de opgelegde last heeft voldaan. De omstandigheid dat de overtredingen zijn beëindigd onder druk van de last onder dwangsom en dit voor eiseres belastende besluit dus het beoogde effect heeft gehad en vervolgens door verweerder is ingetrokken, tast het procesbelang van eiseres bij een beoordeling van de bestreden rechtmatigheid van dat besluit echter allerminst aan. De rechtbank stelt vast dat in het Handhavingsbeleid staat dat handhaving maatwerk is en dat verweerder, waar nodig, gemotiveerd zal afwijken van het stappenplan in het handhavingsmodel. Hieruit volgt dat verweerder op grond van het beleid direct een last onder dwangsom kan opleggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken