Rb. Gelderland 24 januari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:383

Kwaliteitseisen kinderopvang Boetebesluit. Nu het inspectierapport de vereiste gegevens van artikel 5:48, tweede lid, van de Awb, bevat heeft verweerder het inspectierapport terecht kunnen aanmerken als boeterapport. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel die zich hiertegen verzet. Het onderzoek verkeerde derhalve op het moment van de inspecties in de toezichtsfase en van een (concreet) voornemen om een bestraffende sanctie op te leggen, ofwel een ‘criminal charge’, was geen sprake. In deze fase was artikel 5:10 van de Awb derhalve nog niet van toepassing. Van onrechtmatig verkregen bewijs is derhalve geen sprake. In artikel 1.61, eerste lid, van de Wko is de GGD aangewezen als toezichthouder op de naleving van de kwaliteitseisen. Artikel 2.21, eerste lid, bepaalt dat de toezichthouder zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vastlegt in een inspectierapport. De GGD wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. In de Wko is verder bepaald dat verweerder ingrijpt als de GGD tekortkomingen constateert. Hieruit volgt dat aan de bevindingen van een medewerker van de GGD als toezichthouder een ander gewicht toekomt dan aan een losse getuigenis en dat verweerder zich op het inspectierapport heeft mogen baseren. Nu eiseres houder is van het kindercentrum is eiseres reeds hierom overtreder. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Slavenburg-criteria niet op onderhavige zaak van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat het Handhavingsbeleid als zodanig niet onredelijk of disproportioneel zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 1.50 van de Wkkp niet alleen volgt dat de houder en personen werkzaam bij de onderneming in het bezit moeten zijn van een VOG, maar ook dat die VOG geldig en passend moet zijn. Anders zou het vereiste van een VOG, dat tot doel heeft om aan te tonen dat een persoon geen strafbare feiten op zijn naam heeft staan die een belemmering vormen bij het werken in de kinderopvang, inhoudelijk geen enkele betekenis hebben. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de omstandigheid dat eiseres het nodig heeft geacht dat de klusjesman over een VOG beschikt, de intentie van eiseres om de klusjesman met enige regelmaat in te zetten. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voor de klusjesman in dit geval een VOG was vereist. Niet van belang is hoe vaak de klusjesman uiteindelijk feitelijk werkzaam is geweest voor eiseres, nu een VOG reeds vóór aanvang van de werkzaamheden moet worden overgelegd, zodat de bedoeling van partijen (mede) bepalend is voor de vraag of een VOG in een specifiek geval vereist is. Geen matiging. Eiseres had bij het overleggen van de afgegeven VOG door de klusjesman moeten controleren of de VOG was afgegeven op grond van het juiste specifieke screeningsprofiel of de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel. Indien het voor eiseres niet duidelijk was wat het juiste specifieke screeningsprofiel was of wat de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel waren, had het op de weg van eiseres gelegen om hierover nadere informatie in te winnen bij het bevoegde bestuursorgaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken