Rb. Gelderland 28 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1661
Proefprocedure. Wet inkomstenbelasting 2001. Vermogensrendementsheffing voor het jaar 2014 niet in strijd met recht van eigendom. Belastingheffing in box 3 in 2014 niet in strijd met eigendomsrecht De Bond voor Belastingbetalers en de Belastingdienst hebben zes zaken geselecteerd om voor te leggen aan de rechter. De rechtbank Gelderland heeft vandaag uitspraak gedaan in de laatste twee zaken. Deze zaken gaan over het jaar 2014. Belastingheffing over bank- en spaartegoeden Belastingplichtigen in deze twee zaken bezitten met name bank- en spaartegoeden. Over deze tegoeden zijn zij de zogenoemde vermogensrendementsheffing verschuldigd. Deze heffing bedraagt – kort gezegd – 30% over een verondersteld rendement op de bank- en spaartegoeden. Dit veronderstelde rendement is gelijk aan 4% (artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001) van de tegoeden. Strijd met eigendomsrecht? Belastingplichtigen hebben zich op het standpunt gesteld dat voor die tegoeden een heffing over een verondersteld rendement van 4% in strijd is met het recht van eigendom (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens). Het veronderstelde rendement van 4% wijkt naar hun mening voor spaartegoeden te veel af van het werkelijk behaalde rendement. De Hoge Raad heeft in eerdere zaken die gingen over de jaren 2010 en 2011 geoordeeld dat belastingheffing over een verondersteld rendement in beginsel niet in strijd is met het recht van eigendom. De rechtbank ziet in wat belastingplichtigen hebben aangevoerd geen aanleiding om voor het jaar 2014 anders te oordelen. Belastingplichtigen leggen sterk de nadruk op de hoogte van de heffing over spaar- en banktegoeden. De rechtbank is echter van oordeel dat dit een onjuiste benadering is. De wetgever heeft namelijk voor de belastingheffing in box 3 geen onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van bezittingen. Daarom past het niet om bij de beoordeling van het veronderstelde rendement te kijken naar één soort bezitting. De Hoge Raad heeft één uitzondering gemaakt in bovengenoemde zaken. Als – kort gezegd – komt vast te staan dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is, zou sprake kunnen zijn van schending van het recht van eigendom. In dit geval zijn echter de door belastingplichtigen aangevoerde gegevens onvoldoende om dat te kunnen oordelen. De rechtbank heeft de beroepen dan ook ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1614
- Rb. Den Haag 25 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:444
- Rb. Noord-Holland 25 januari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:442
- Rb. Noord-Nederland 19 januari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:153
- Rb. Zeeland-West-Brabant 11 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:67
- Rb. Zeeland-West-Brabant 11 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:68
- HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2662
- HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2663
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812
- HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0664