Rb. Gelderland 10 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5532
KB-Lux. De met toepassing van artikel 16, vierde lid AWR opgelegde navorderingsaanslagen zijn met voldoende voortvarendheid opgelegd. De FIOD-ECD is als belastingautoriteit aan te merken, echter in die periode is geen sprake van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. De vertraging in de bezwaarfase kan de rechtmatigheid van de belastingaanslagen niet aantasten. De rechtbank acht het opleggen van boeten (verhogingen) passend en geboden, ook al is eiseres inmiddels onder curatele gesteld. De rechtbank ziet niet in waarom zij niet in haar vermogen zou kunnen worden getroffen. Wel vormen de persoonlijke omstandigheden van eiseres zoals de opname in het verpleeghuis en de ondercuratelestelling aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank acht een boete van 25% van de nagevorderde bedragen passend en geboden. De overschrijding van de redelijke termijn geeft de rechtbank aanleiding deze boete vervolgens te matigen met 40%. De rechtbank onderschrijft de uitgangspunten van ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, maar acht een matiging met 20% in het onderhavige geval, waarin de termijnoverschrijding 12 jaar bedraagt, niet toereikend.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105
- HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:913
- HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:689
- HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717
- HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63
- HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092
- HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9120
- Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 11 juni 2009, ECLI:NL:XX:2009:BI8987
- HR 29 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5346