Rb. Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30501

grensdetentie, aanknopingspunten voor overdracht, interstatelijk vertrouwensbeginsel, lichter middel

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55867
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiseres heeft haar gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 29 september 2026 gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1 Verweerder kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

De gronden van de maatregel

2 Eiseres is op 19 september 2026 aangekomen op de luchthaven Schiphol. Op 21 september 2026 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft vervolgens het besluit over de toegang van eiseres tot Nederland uitgesteld op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw en haar een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.

2.1 In deze maatregel staat dat er aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat eiseres onder de reikwijdte van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt omdat er een zogenoemde EU-Vis treffer is in verband met de afgifte van een visum door Italië. Verder staat in de maatregel dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.

2.2 In de maatregel heeft de minister als gronden voor dit onderduikrisico vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.3 De rechtbank stelt vast dat eiseres alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiseres stelt ten aanzien van de grond onder a dat ze weliswaar niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen, maar dat dit wordt gerechtvaardigd door haar vrees om te worden teruggestuurd naar Somalië. Ten aanzien van grond d stelt zij dat ze vanwege deze vrees in eerste instantie ook niet haar eigen identiteit of nationaliteit met verweerder durfde te delen. Verder voert eiseres ten aanzien van grond r aan dat ze weliswaar geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland, maar dat zij haar medewerking wil verlenen vanuit een Dublin Opvang locatie c.q. asielzoekerscentrum. Hiermee wil zij onder het toezicht van verweerder blijven. Ten aanzien van grond s betwist eiseres niet dat zij onvoldoende middelen van bestaan heeft, maar ze meent dat dit geen zelfstandige c.q. doorslaggevende grondslag zou moeten zijn om haar vrijheidsontneming langer te laten voortduren.

2.4 De rechtbank oordeelt dat de gronden onder a, d en r feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Uit de stukken blijkt dat eiseres heeft gepoogd Nederland binnen te komen met een ander doel dan waarvoor het verstrekte visum was afgegeven. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gronden onder a en d feitelijk juist zijn. Deze gronden zijn door eiseres ook niet inhoudelijk betwist. Grond r is eveneens feitelijk juist, omdat eiseres niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Verweerder heeft bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit. Nu op grond van artikel 5.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) voor het aannemen van een onderduikrisico vereist is dat zich ten minste twee gronden voordoen, behoeft de grond onder s geen verdere bespreking meer.

2.5 Deze gronden mochten verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding geven om aan te nemen dat ten aanzien van eiseres een onderduikrisico bestaat, zodat deze gronden de vrijheidsontnemende maatregel kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiseres voert aan dat er ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader doet zij, onder andere, een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1445). Om deze reden dient de asielaanvraag van eiseres te worden behandeld in een open opvanglocatie en dient de vrijheidsontneming van eiseres te worden opgeheven.

3.1 De vrijheidsontnemende maatregel die op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt opgelegd, is een maatregel in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang van eiseres tot Nederland. De bezwaren van eiseres ten aanzien van een toekomstig overdrachtsbesluit in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dienen in de procedure van het overdrachtsbesluit naar voren te worden gebracht. Dit overdrachtsbesluit ligt niet aan de bewaringsrechter voor. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiseres voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan vrijheidsontneming. Eiseres behoort niet tot de categorieën genoemd in artikel 42 jo. 43, derde lid, van de Asielprocedureverordening op grond waarvan vrijheidsontneming dient voort te duren en de toegang tot Nederland dient te worden geweigerd. Volgens eiseres heeft verweerder geen serieus onderzoek gedaan naar lichtere middelen dan vrijheidsontneming. Het opleggen van vrijheidsontneming moet een uitzondering zijn en geen regel.

4.1 Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard in beginsel dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied aan een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken en daarom maken dat de maatregel in een concreet geval niet moet worden opgelegd.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat het grensbewakingsbelang enkel wordt prijsgegeven in hele bijzondere omstandigheden (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077)). Hieruit volgt dat verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en dat de beoordeling van verweerder of met een lichter middel had moeten worden volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Verweerder stelt terecht dat eiseres in dit kader geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht.

4.3 Verder overweegt de rechtbank dat verweerder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen beoordeling hoefde te maken of de asielaanvraag van eiseres zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure en dat de bewaringsrechter zich in beginsel niet inhoudelijk kan uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Verweerder dient de gelegenheid te krijgen om onderzoek daarnaar te doen en een redelijke termijn daarvoor te krijgen. De werkwijze van verweerder waarbij asielaanvragen die aan de grens worden gedaan en waarbij de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure worden behandeld en de grensdetentie wordt opgeheven wanneer de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, is in overeenstemming met de Procedureverordening. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
5. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6 Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken