Rb. Den Haag 15 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30340

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank is, anders dan voorheen, van oordeel dat de termijn van twee weken uit artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht aanvangt op de dag nádat de ingebrekestelling is ontvangen. Om partijen de gelegenheid te geven met deze wijziging rekening te houden, bepaalt de rechtbank dat zij haar nieuwe lijn pas zal handhaven voor alle beroepen die ná de datum van publicatie van deze uitspraak zijn ingediend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.14980
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer] ), eiser,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 7 juli 2025 zijn asielwens kenbaar gemaakt tegenover de Nederlandse autoriteiten en heeft diezelfde dag met het formulier M35H formeel een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Op 28 juli 2025 heeft verweerder bij de autoriteiten van Duitsland een terugnameverzoek op grond van de Dublinverordening ingediend. De autoriteiten van Duitsland hebben dit verzoek diezelfde dag afgewezen.

Op 4 maart 2026 heeft verweerder een ingebrekestelling ontvangen wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 7 juli 2025.

Eiser heeft vervolgens op 18 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Sittard, die op 2 april 2026 de beroepsgronden heeft ingediend.

Overwegingen

1 De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

2 Zoals volgt uit het procesverloop, is de aanvraag ingediend vóór 12 juni 2026. Dat heeft tot gevolg dat de procedurele voorschriften uit de Vw 2000 die in deze uitspraak worden aangehaald, zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn, in dit geval van toepassing zijn.

3 In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.

In artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden kan worden verlengd, indien:

a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;

b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of

c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.

In artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

4 Gelet op het procesverloop moet Nederland met ingang van 29 juli 2025 worden aangemerkt als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de aanvraag van eiser. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 maart 2019 is op die datum, op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000, de beslistermijn begonnen.

5 De rechtbank stelt vast dat zij voorheen – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 – heeft geoordeeld dat de termijn van twee weken van artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb begint op de dag waarop de ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. De rechtbank is thans van oordeel dat deze termijn aanvangt op de dag nádat de ingebrekestelling is ontvangen. Zij vindt daarvoor ondersteuning in de wetsgeschiedenis en recentere uitspraken van de Afdeling. De rechtbank erkent dat dit oordeel een breuk betekent met haar eerdere jurisprudentielijn, waarnaar meerdere partijen mogelijk tot op heden hebben gehandeld. Om eventuele partijen de gelegenheid te geven hier voortaan rekening mee te houden, ziet de rechtbank aanleiding uit te spreken dat zij haar nieuwe lijn pas zal handhaven voor alle beroepen die ná de datum van publicatie van deze uitspraak zijn ingediend. Het voorgaande betekent dat de rechtbank alsnog toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep, ondanks dat dit één dag te vroeg is ingediend.

6 Verweerder heeft sinds 27 september 2022 herhaaldelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dit is gebeurd met opeenvolgende besluiten tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. Het in deze zaak toepasselijke verlengingsbesluit is echter nadien ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank niet meer toekomt aan een beoordeling van de rechtmatigheid van deze verlenging.

7 Het voorgaande betekent ook dat verweerder in dit geval binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser moest nemen. Omdat hij dit heeft nagelaten, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat beroep is ingesteld, is het beroep ontvankelijk. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep gegrond en moet het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag worden vernietigd.

8 De rechtbank zal verder in elke zaak een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de voornemenprocedure komen te vervallen. Dat betekent dat verweerder sneller tot besluitvorming kan overgaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om kortere termijnen te stellen dan voorheen. Zij hanteert thans in asielzaken in beginsel de volgende termijnen. Als de vreemdeling nog niet is gehoord over de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van vier weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen twaalf weken moet beslissen. Als de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van vier weken om alsnog te beslissen. Als de bovengrens van 21 maanden (bijna) is overschreden stelt de rechtbank de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is.

9 Omdat eiser nog niet nader is gehoord, betekent dit voor de onderhavige zaak dat de rechtbank verweerder zal opdragen om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser te horen omtrent de aanvraag en binnen acht weken na dat gehoor, in ieder geval binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak, het besluit op die aanvraag te nemen en bekend te maken. De beroepsgronden geven geen aanleiding om, zoals door eiser is verzocht, een andere (kortere) termijn vast te stellen.

10 De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven, waarbij zij in dit geval de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) op 21 mei 2026 vastgestelde aanbeveling over de rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken zal volgen. Zij zal de hoogte van deze dwangsom daarom vaststellen op € 50,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De beroepsgronden geven geen aanleiding om van de aanbeveling af te wijken. Niet is gebleken dat het belang van eiser zo groot is, dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd is; de enkele omstandigheid dat verweerder nog steeds niet op de aanvraag heeft beslist kan niet als zodanig belang worden aangemerkt. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door eiser is verzocht, de dwangsom onmiddellijk te laten ingaan of hieraan terugwerkende kracht te verbinden.

11 De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 467,- waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt met een waarde van € 934,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij alleen gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser te horen omtrent zijn aanvraag en binnen acht weken na dat gehoor, in ieder geval binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak, het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 467,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 15 oktober 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken