Rb. Den Haag 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30270

Ambv Italië; interstatelijk vertrouwensbeginsel; beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47413
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Eiser heeft op 14 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemend gemachtigde van eiser (mr. A.K.E. van den Heuvel), [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1 Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Soedanese nationaliteit te hebben.

Totstandkoming van het besluit

2 De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

2.1 In dit geval is eiser volgens het Eurodac-systeem voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland illegaal Italië ingereisd. Nederland heeft Italië op 14 juli 2026 een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek op 28 juli 2026 aanvaard.
Standpunten van partijen
3. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser blijkt uit recente bronnen dat in Italië nog steeds sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de opvang, asielprocedure en rechtsbescherming. Hij wijst onder meer op onvoldoende opvang, langdurige detentie, personeelstekorten, gebrekkige informatievoorziening en onvoldoende waarborgen voor kwetsbare asielzoekers. Volgens eiser heeft de invoering van het Asiel- en Migratiepact de feitelijke situatie in Italië niet verbeterd. Italië kan de rechten en basisbehoeften van asielzoekers nog steeds onvoldoende waarborgen, waardoor hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De mogelijkheid om in Italië te klagen neemt de gestelde structurele tekortkomingen niet weg. Eiser verzoekt daarom het besluit te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit op zijn asielaanvraag te nemen.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de gewijzigde situatie sinds 2022 en de recente landeninformatie, weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft met zijn verklaringen over racisme en het uitblijven van hulp door de politie niet aannemelijk gemaakt dat hij in Italië geen bescherming kan krijgen of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Uit de arresten Tudmur en Daraa volgt volgens verweerder dat de Italiaanse opschorting van overdrachten op zichzelf geen structurele tekortkomingen of risico op schending van artikel 4 van het Handvest aantoont. Verweerder verwijst naar het rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026 en Italiaanse toezeggingen over adequate opvang. Ook wijst hij op een interview van 21 augustus 2026 waarin de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken verklaart dat de opvangcrisis voorbij is en inmiddels drie personen zijn teruggenomen. Het ontbreken van gereserveerde opvangplekken betekent volgens verweerder niet dat opvang ontbreekt. Verweerder ziet daarom geen aanleiding de asielaanvraag zelf te behandelen en ziet geen beletsel voor overdracht aan Italië.
Kon verweerder voor Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
5. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest is één van de aspecten waarop het beroep gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMbV betrekking kan hebben. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 19 maart 2019 in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, stromend water en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid en waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
6. Het uitgangspunt is dat verweerder ervan mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn verplichtingen uit het Unierecht nakomt: het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt is ten aanzien van Italië echter niet onverkort van toepassing. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 april 2023 geoordeeld dat verweerder zich, gelet op de destijds bestaande situatie, niet zonder nader onderzoek op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon beroepen bij overdrachten aan Italië. Daarbij heeft de Afdeling betekenis toegekend aan het gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten en aan het verzoek van de Italiaanse autoriteiten voor de tijdelijke opschorting van overdrachten. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt weliswaar niet zonder meer onverschilligheid tegenover de situatie van vreemdelingen, maar wel dat er een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in deze situatie aan verweerder is om deugdelijk te motiveren waarom ten aanzien van Italië inmiddels weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
7. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat uit de AMbV niet volgt dat een voorwaarde voor overdracht is dat een verantwoordelijke lidstaat bereid moet zijn om vreemdelingen terug te nemen. Een verantwoordelijke lidstaat kan zich niet door een eenvoudige en eenzijdige aankondiging onttrekken aan de krachtens de verordening op hem rustende verantwoordelijkheden. Dat heeft het Hof geoordeeld in arresten Tudmur en Daraa, waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst. Als vast komt te staan dat Italië weigert asielzoekers terug te nemen, betekent dit dus niet zonder meer dat eiser bij overdracht een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Een dergelijke weigering kan echter wel een aanwijzing zijn dat de situatie in Italië niet is gewijzigd en dat nog steeds sprake is van een tekort aan opvangfaciliteiten.
8. In dat kader wijst de rechtbank op een interview met de Italiaanse minister, waarnaar verweerder heeft verwezen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit niet zonder meer dat de Italiaanse autoriteiten zich bereid hebben verklaard om iedere overdracht op grond van de AMbV te accepteren. De Italiaanse minister heeft onder meer verklaard:
‘In reality, we believe this is not the case and that it will always be up to us to agree on the
return. My circular was based on the observation that Italy’s reception system was going
through a delicate phase, facing an objective crisis. Today, thanks to what we have done,
this is no longer the case, but Italy can always assert its status as a country potentially
exposed to critical migration flows
[…]
In essence, it has been up to us in the past—and will continue to be up to us in the future—to decide which requests to accept and who will be eligible to return to our territory. And in
this regard, I cannot help but point out that a large portion of the requests we have received
are objectively questionable precisely in light of European rules.’
Verweerder relateert de uitlatingen van de Italiaanse minister aan de eerdere weigering van
overdrachten. Uit deze verklaringen blijkt juist dat Italië een eigen beoordeling maakt van
de vraag of een terugkeer wordt geaccepteerd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de
eerdere praktijk van het niet accepteren van terugkeerders definitief is beëindigd. De
uitlatingen geven veeleer blijk van een terughoudende opstelling van de Italiaanse
autoriteiten ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor terugkeerders. Zij bieden
daarom onvoldoende grond voor de conclusie dat de eerdere problemen met de opvang van
terugkeerders zijn opgelost.
9. Verweerder heeft er weliswaar op gewezen dat in het bericht van de Europese Commissie van 15 juli 2026 staat dat de opvangcapaciteit toereikend lijkt, maar de rechtbank merkt op dat aan de andere kant ook in het rapport staat dat er geen indicaties zijn dat de situatie in Italië zoals die was onder de Dublinverordening, is gewijzigd. Het rapport van de Europese Commissie geeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen eenduidig beeld. Verweerder heeft geen objectieve informatie overgelegd waaruit blijkt dat opvang zal worden geboden aan asielzoekers die worden overgedragen in het kader van de AMbV. De algemene mondelinge toezegging van de Italiaanse minister over het bieden van adequate opvang is onvoldoende om daarvan uit te kunnen gaan, met name in het licht van nieuwsberichten en andere informatie van na die datum die melden dat Italië onvoldoende opvangvoorzieningen beschikbaar heeft.
10. De stelling van verweerder dat uit deze toezegging volgt dat de ‘circular letter’ uit 2022 die ten grondslag lag aan de Afdelingsuitspraak van 26 april 2023 niet meer van toepassing is, kan verder zonder nadere motivering niet worden gevolgd. In het Commissiebericht waar verweerder naar verwijst, is immers te lezen dat er geen aanwijzingen zijn dat Italië het opschortingsbeleid uit de ‘circular letter’ uit 2022 niet langer hanteert en dat deze nog niet formeel is ingetrokken of vervangen door de Italiaanse autoriteiten. Verder kan op basis van de passages in het AIDA-rapport van 2026 en de mededeling van de Europese Commissie juist worden betwijfeld of voor eiser opvang beschikbaar zal zijn. In het rapport van AIDA staat bovendien dat terugkeerders die al in opvangcentra hebben gewoond voordat zij Italië verlieten, de toegang tot het opvangsysteem kan worden geweigerd en dat toegang tot de asielprocedure voor Dublin-terugkeerders ‘equally problematic’ is. Ook uit de wekelijkse rapporten van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarnaar verweerder verwijst, valt niet af te leiden wat de totale opvangcapaciteit is.
11. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat
weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië.
Verweerder is er dus niet in geslaagd aannemelijk te maken dat bij overdracht aan Italië
eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest. Verweerder zal nader onderzoek moeten doen naar de situatie in Italië.

Conclusie en gevolgen

12 Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit genomen is in strijd is met de artikelen 3:42 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb, het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om opnieuw af te wegen of opnieuw onderzoek te verrichten. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

13 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

14 Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Deze proceshandelingen leveren elk een punt op zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde per punt van € 934, vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond.
vernietigt het bestreden besluit van 18 augustus 2026;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken