HvJ EU 5 maart 2026, C-458/24, ECLI:EU:C:2026:146

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

5 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Artikel 3, lid 2 – Artikel 29 – Overdracht van de asielzoeker aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming – Opschorting van de overname en terugname van asielzoekers door de verantwoordelijke lidstaat – Richtlijn (EU) 2013/32 – Artikel 33 – Niet-ontvankelijke verzoeken”

In zaak C‑458/24 [Daraa] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Sigmaringen (bestuursrechter in eerste aanleg Sigmaringen, Duitsland) bij beslissing van 7 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2024, in de procedure

DO

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: G. Chiapponi, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– DO, vertegenwoordigd door M. Weidmann, Rechtsanwalt,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Kanitz als gemachtigde,

– de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, M. Jespersen, C. A.‑S. Maertens en J. Sandvik Loft als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe, O. Duprat-Mazaré en B. Fodda als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door W. Ferrante en S. Fiorentino als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en M. Kopetzki als gemachtigden,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Debieuvre, E. Garello, A. Katsimerou en J. Vondung als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 oktober 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 27, lid 1, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31) (hierna: „Dublin III-verordening”), alsmede artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DO, een Syrisch staatsburger, en de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) betreffende het besluit van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (federale dienst voor migratie en vluchtelingen, Duitsland) (hierna: „Bundesamt”) waarbij het door DO ingediende asielverzoek is afgewezen en zijn verwijdering naar Italië is gelast.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Dublin III-verordening

3 De overwegingen 4 en 5 van de Dublin III-verordening luiden: „(4) In de conclusies van Tampere werd ook aangegeven dat het [gemeenschappelijk Europees asielstelsel] op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. (5) Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen.”

4 Artikel 3 („Toegang tot de procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming”) van deze verordening bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De lidstaten behandelen elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is. 2. Wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan. Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‚Handvest’)], blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat.”

5 Hoofdstuk III van die verordening definieert de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat. Het bevat de artikelen 7 tot en met 15 van die verordening.

6 Artikel 18 van de Dublin III-verordening is opgenomen onder hoofdstuk V, dat betrekking heeft op de verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat, en bepaalt in lid 1, onder a) en onder b): „De verantwoordelijke lidstaat is verplicht: a) een verzoeker die zijn verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend, volgens de in de artikelen 21, 22 en 29 bepaalde voorwaarden over te nemen; b) een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen”.

7 Hoofdstuk VI van die verordening heeft betrekking op de over- en terugnameprocedures van verzoekers en bevat de artikelen 20 tot en met 33.

8 In de leden 1 en 7 van artikel 22 („Beantwoording van een overnameverzoek”) van die verordening is bepaald: „1. De lidstaat die om overname wordt verzocht, verricht de nodige naspeuringen en reageert op het verzoek tot overname van een verzoeker binnen twee maanden nadat hij het heeft ontvangen. […] 7. Het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn van twee maanden en van de in lid 6 bedoelde termijn van een maand, staat gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.”

9 In die context luidt lid 1 van artikel 26 („Kennisgeving van een overdrachtsbesluit”) van de Dublin III-verordening als volgt: „Wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), stelt de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen. […]”

10 In de leden 1 en 4 van artikel 27 („Rechtsmiddelen”) van die verordening is bepaald: „1. De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. […] 4. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten ambtshalve kunnen besluiten de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar.”

11 Artikel 29 („Werkwijzen en termijnen”) van de Dublin III-verordening bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft. […] 2. Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.”

Verordening nr. 1560/2003

12 In lid 1 van artikel 8 („Samenwerking met het oog op de overdracht”) van verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 222, blz. 3), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 van de Commissie van 30 januari 2014 (PB 2014, L 39, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1560/2003”) is bepaald: „De verantwoordelijke lidstaat is verplicht de overdracht van de asielzoeker zo spoedig mogelijk toe te staan en erop toe te zien dat zijn binnenkomst niet wordt belemmerd. […]”

13 Artikel 9 („Uitstel van de overdracht en te laat verrichte overdrachten”) van die verordening luidt als volgt: „1. De verantwoordelijke lidstaat wordt onverwijld in kennis gesteld van elk uitstel van de overdracht als gevolg van hetzij een beroeps- of bezwaarprocedure die opschortende werking heeft, hetzij van feitelijke omstandigheden zoals de gezondheidstoestand van de asielzoeker, de onbeschikbaarheid van het vervoermiddel of het feit dat de asielzoeker zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken. […] 2. De lidstaat die om een van de in artikel 29, lid 2, van [de Dublin III-verordening] bedoelde redenen niet tot de overdracht kan overgaan binnen de normale termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek tot overname of tot terugname van de betrokken persoon of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit opschortende werking heeft, stelt de verantwoordelijke staat daarvan vóór het verstrijken van deze termijn in kennis. Indien hij dat niet doet, [berusten] de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming en de andere uit [de Dublin III-verordening] voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 29, lid 2, van die verordening bij de verzoekende lidstaat. […]”

Richtlijn 2013/32

14 In artikel 33 („Niet-ontvankelijke verzoeken”) van richtlijn 2013/32 is bepaald: „1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig [de Dublin III-verordening], zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)], indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: a) een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend; b) een land dat geen lidstaat is, ingevolge artikel 35 voor de verzoeker als eerste land van asiel wordt beschouwd; c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd; d) het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig [richtlijn 2011/95]; of e) een persoon die ten laste van de verzoeker komt, een verzoek indient nadat hij er overeenkomstig artikel 7, lid 2, mee heeft ingestemd dat zijn geval deel uitmaakt van een namens hem ingediend verzoek en geen met de situatie van de ten laste komende persoon verband houdende feiten een apart verzoek rechtvaardigen.”

Duits recht

15 Richtlijn 2013/32 is in Duits recht omgezet bij het Asylgesetz (asielwet), in de op 2 september 2008 gepubliceerde versie (BGBl. 2008 I, blz. 1798) (hierna: „AsylG”).

16 § 29, lid 1, AsylG, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Een asielverzoek is niet-ontvankelijk indien: 1. een andere staat a) krachtens [de Dublin III-verordening] of b) op grond van andere Unierechtelijke bepalingen dan wel bepalingen van een internationaal verdrag voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijk is […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17 DO, een Syrisch staatsburger, is op 18 april 2023 Duitsland binnengekomen en heeft daar op 26 april van dat jaar asiel aangevraagd.

18 Op basis van de informatie in de Eurodac-gegevensbank is de Italiaanse Republiek echter aangewezen als de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van dat asielverzoek.

19 Op 27 april 2023 heeft het Bundesamt de Italiaanse Republiek dus verzocht om DO over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben hierop niet gereageerd, zodat zij overeenkomstig artikel 22, lid 7, van de Dublin III-verordening geacht worden het verzoek te hebben aanvaard.

20 Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het Bundesamt het asielverzoek van DO in overeenstemming met § 29, lid 1, punt 1, onder a), AsylG, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de Italiaanse Republiek verantwoordelijk was voor de behandeling van dit verzoek. Het heeft bovendien de verwijdering van DO naar Italië gelast.

21 Op 27 juli 2023 heeft DO tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Sigmaringen (bestuursrechter in eerste aanleg Sigmaringen, Duitsland), de verwijzende rechter. Bij beslissing van 26 oktober 2023 heeft die rechter aan dat beroep schorsende werking verleend.

22 De verwijzende rechter merkt op dat uit twee circulaires, die de Italiaanse Dublineenheid op 5 en 7 december 2022 aan alle Dublineenheden heeft gezonden, blijkt dat de Italiaanse Republiek voorlopig en behoudens uitzonderingen niet langer zou aanvaarden dat personen die om internationale bescherming verzoeken krachtens de Dublin III-verordening aan Italië zouden worden overgedragen. De Italiaanse Republiek weigert dus elke overname van verzoekers die krachtens deze verordening onder haar verantwoordelijkheid vallen.

23 In de eerste plaats moet dus worden vastgesteld of de Bondsrepubliek Duitsland door die weigering op grond van artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea, van die verordening de verantwoordelijke lidstaat is geworden. Zo ja, dan is het besluit van het Bundesamt onrechtmatig.

24 In dat verband erkent de verwijzende rechter dat deze bepaling, gelet op de bewoordingen ervan, alleen van toepassing is wanneer de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in de verantwoordelijke lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. De weigering van een lidstaat om verzoekers over te nemen levert echter geen systeemfouten op.

25 Deze rechter is evenwel van oordeel dat een dergelijke weigering neerkomt op „het afbreken van het systeem” waarin de Dublin III-verordening voorziet, en verzoekt het Hof dat tegen te gaan. Deze verordening gaat uit van de op wederzijds vertrouwen gebaseerde premisse dat personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, worden overgenomen door de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de behandeling van dat verzoek. Gelet op deze premisse en op de doelstelling om verzoeken snel te behandelen moet worden geoordeeld dat de bereidheid van de verantwoordelijke lidstaat om personen over te nemen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, een „ongeschreven toepassingsvoorwaarde” is van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van die verordening. Bijgevolg levert de weigering om die personen over te nemen een schending van deze bepaling op, ongeacht hoe het is gesteld met de opvangvoorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat. Deze bepaling zou in de bij deze rechterlijke instantie aanhangige zaak dus kunnen leiden tot een overgang van de verantwoordelijkheid van de Italiaanse Republiek aan de Bondsrepubliek Duitsland.

26 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat, voor het geval dat het Hof een dergelijke overgang van de verantwoordelijkheid echter zou afwijzen, het verzoek van DO op grond van het Duitse recht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het is in dit stadium echter onmogelijk om te weten of DO binnen de in artikel 29, lid 1, eerste alinea, van de Dublin III-verordening vastgestelde overdrachtstermijn van zes maanden aan Italië kan worden overgedragen. DO komt in een periode die overeenkomt met die termijn dus terecht in een situatie van „refugees in orbit”, waarin in feite geen enkele lidstaat zich voor zijn verzoek verantwoordelijk acht. De behandeling van dat verzoek zou dan onnodig worden vertraagd. Deze rechter vraagt zich af of een dergelijke situatie verenigbaar is met de vereisten van artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32.

27 In de derde en laatste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af onder welke feitelijke omstandigheden hij kan oordelen dat een lidstaat in het algemeen weigert personen ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is vastgesteld, over te nemen, en vraagt hij zich af of een dergelijke weigering de subjectieve rechten van die personen kan schenden.

28 Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 3, lid 2, van [de Dublin III-verordening] dan wel de Dublin III-verordening als zodanig, aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, ook dan de criteria van hoofdstuk III moet blijven [onderzoeken] en zelf verantwoordelijk wordt, wanneer de volgens die criteria verantwoordelijke lidstaat niet bereid is om [personen] over te nemen [ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit op grond van die verordening is vastgesteld]? 2) Geldt deze verplichting van de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast om de criteria van hoofdstuk III [van de Dublin III-verordening] te blijven [onderzoeken] ook dan nog wanneer er in de lidstaat die niet bereid is om [de betrokken personen] over te nemen geen sprake is van systeemfouten als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het [Handvest]? 3) Moet artikel 33, lid 1, van [richtlijn 2013/32] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een asielverzoek ook dan niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer de krachtens de Dublin III-verordening verantwoordelijke lidstaat niet bereid is om [de betrokken personen] over te nemen? 4) Moet de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast ervan uitgaan dat de krachtens de Dublin III-verordening verantwoordelijke lidstaat niet bereid is om [de betrokken personen] over te nemen wanneer het ministerie van Binnenlandse Zaken van de verantwoordelijke lidstaat schriftelijk laat weten dat voorlopig geen [personen ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit op grond van die verordening is vastgesteld] zullen worden overgenomen en de verantwoordelijke lidstaat daarna de overname van de betrokken personen ook verhindert? 5) Schendt de weigering van de verantwoordelijke lidstaat om [personen ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit op grond van die verordening is vastgesteld] over te nemen reeds op zichzelf en ongeacht het daaruit voortvloeiende gevaar in de zin van artikel 4 van het [Handvest] de subjectieve rechten van de betrokkene? Voorziet artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening ook voor een dergelijke schending van subjectieve rechten in een daadwerkelijk rechtsmiddel?”

Procedure bij het Hof

29 Bij beschikking van de president van het Hof van 9 september 2024 is het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof afgewezen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

30 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de criteria van hoofdstuk III moet blijven onderzoeken of zelf de verantwoordelijke lidstaat wordt, wanneer de lidstaat die aanvankelijk op grond van die criteria als verantwoordelijk was aangewezen, eenzijdig de overname en terugname heeft opgeschort van personen ten aanzien van wie op grond van die verordening een overdrachtsbesluit is vastgesteld, ook wanneer er in die laatste lidstaat geen sprake is van systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

31 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt volgens artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening niet mag worden overgedragen aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek wanneer ernstig moet worden gevreesd dat hij als gevolg van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat een risico zou lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. In dat geval wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, overeenkomstig artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea, van die verordening verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming wanneer hij na onderzoek van de criteria van hoofdstuk III van die verordening vaststelt dat de overdracht van de verzoeker niet kan geschieden aan een op grond van die criteria aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend (arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening volgt dat voor de toepassing van deze bepaling aan twee cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan. Alleen „systeemfouten” die „resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het [Handvest]” maken het namelijk onmogelijk een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen en vereisen dat het onderzoek van de criteria van hoofdstuk III van die verordening wordt voortgezet om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is [zie in die zin arresten van 29 februari 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Wederzijds vertrouwen in geval van overdracht), C‑392/22, EU:C:2024:195, punten 57 en 58, en 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 35].

33 Aan de eerste voorwaarde, betreffende het bestaan van „systeemfouten”, is voldaan wanneer de betrokken tekortkomingen voortduren en zij betrekking hebben op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken in het algemeen of, op zijn minst, op bepaalde groepen van personen die om internationale bescherming verzoeken in hun geheel. Deze tekortkomingen moeten bovendien bijzonder verregaand zijn, wat afhangt van alle gegevens van de zaak (zie in die zin arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Aan de tweede voorwaarde, namelijk het bestaan van een risico van onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, is voldaan wanneer dergelijke systeemfouten voor de betrokkene het risico inhouden dat hij in de lidstaat die als verantwoordelijke is aangewezen, wordt blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met dat artikel 4 [zie in die zin arresten van 29 februari 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Wederzijds vertrouwen in geval van overdracht), C‑392/22, EU:C:2024:195, punt 62, en 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 38].

35 Het Hof heeft al geoordeeld dat de omstandigheid dat de lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van de Dublin III-verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, de overname en terugname van personen die om internationale bescherming verzoeken eenzijdig heeft opgeschort, op zich niet kan rechtvaardigen dat op grond van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van die verordening wordt vastgesteld dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die in die lidstaat om internationale bescherming verzoeken, systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest (arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 43).

36 Hieruit volgt dat bij gebreke van enig ander element waaruit blijkt dat er sprake is van systeemfouten die resulteren in een dergelijk risico, moet worden geoordeeld dat in een situatie waarin de lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van de Dublin III-verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, de overname en terugname van personen die om internationale bescherming verzoeken eenzijdig heeft opgeschort, niet is voldaan aan de cumulatieve toepassingsvoorwaarden van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van die verordening. In een dergelijk geval hoeft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, dus niet op basis van die bepaling de criteria van hoofdstuk III van die verordening verder te onderzoeken noch wordt hij op grond van artikel 3, lid 2, derde alinea, van die verordening zelf de verantwoordelijke lidstaat.

37 Die uitlegging vindt steun in de doelstellingen van de Dublin III-verordening, die met name beoogt een duidelijke en hanteerbare methode ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat in te voeren en secundaire stromen van asielzoekers tussen de lidstaten te voorkomen [arresten van 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a. (Gemeenschappelijke brochure – Indirect refoulement), C‑228/21, C‑254/21, C‑297/21, C‑315/21 en C‑328/21, EU:C:2023:934, punt 141, en 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 41].

38 De lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van de Dublin III-verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, kan zich niet door een eenvoudige en eenzijdige aankondiging onttrekken aan de krachtens die verordening op hem rustende verantwoordelijkheden. Daardoor zou namelijk worden voorbijgegaan aan die criteria en zou aldus de goede werking van het bij die verordening ingevoerde systeem in gevaar kunnen komen. Indien wordt aangenomen dat uit een dergelijke eenzijdige aankondiging kan worden afgeleid dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers systeemfouten bevatten die resulteren in een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandelingen, waardoor elke overdracht van personen die om internationale bescherming verzoeken aan de verantwoordelijke lidstaat wordt verhinderd en de verantwoordelijkheid van die lidstaat overgaat op de lidstaat van de secundaire migratie, zou dit bovendien dergelijke migratie kunnen aanmoedigen door verzoekers ertoe aan te zetten hun migratieroute voort te zetten naar een andere lidstaat die hun gunstigere voorwaarden lijkt te bieden (arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 42).

39 Gelet op deze elementen kan niet worden geoordeeld dat artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea, van de Dublin III-verordening, naast en los van de twee in punt 32 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, een ongeschreven toepassingsvoorwaarde bevat volgens welke de verantwoordelijke lidstaat bereid moet zijn om personen die om internationale bescherming verzoeken over of terug te nemen. Afgezien van het feit dat een dergelijke voorwaarde geenszins voortvloeit uit de duidelijke bewoordingen van die bepaling, zou zij onverenigbaar zijn met de doelstellingen van deze verordening die zijn uiteengezet in punt 37 van het onderhavige arrest, en zou zij er uiteindelijk toe leiden dat de naleving ervan voor die lidstaat facultatief wordt.

40 In de tweede plaats dient eraan te worden herinnerd, voor zover de verwijzende rechter vreest dat de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt in een situatie als bedoeld in punt 36 van het onderhavige arrest ten onrechte de toegang wordt belemmerd tot de procedure voor internationale bescherming en dat uiteindelijk geen enkele lidstaat zijn verzoek zal behandelen, dat het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof tot taak heeft de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarnaar in de vraag van de verwijzende rechter niet wordt verwezen (zie arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 44).

41 De omstandigheid dat de verwijzende rechter in zijn vragen formeel heeft verwezen naar bepaalde specifieke bepalingen van het Unierecht staat er namelijk niet aan in de weg dat het Hof hem alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de uitspraak in het hoofdgeding, door uit alle door deze rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 45).

42 In het licht van deze rechtspraak moet, om de verwijzende rechter een volledig antwoord te geven, ook artikel 29 van de Dublin III-verordening worden uitgelegd, waarover de partijen en de andere in artikel 23, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden ter terechtzitting voor het Hof hun opmerkingen hebben gemaakt.

43 Dit artikel 29 bepaalt in lid 1 dat de betrokkene aan de verantwoordelijke lidstaat wordt overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, van die verordening opschortende werking heeft.

44 Artikel 29, lid 2, van die verordening bepaalt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming om de betrokkene over of terug te nemen, komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat.

45 In de eerste plaats blijkt volgens de rechtspraak van het Hof uit de bewoordingen van deze bepaling dat de verantwoordelijkheid van rechtswege overgaat op de verzoekende lidstaat, zonder dat die overgang afhankelijk is gesteld van enige reactie van de verantwoordelijke lidstaat (arrest van 25 oktober 2017, Shiri, C‑201/16, EU:C:2017:805, punt 30).

46 Zoals de advocaat-generaal in de punten 51 en 52 van zijn conclusie in essentie heeft benadrukt, is artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening bovendien ruim geformuleerd en beperkt het de overgang van de verantwoordelijkheid niet tot specifieke gevallen. Integendeel, volgens deze bepaling gaat de verantwoordelijkheid van rechtswege over „[i]ndien de overdracht [van de persoon die om internationale bescherming verzoekt] niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden”. Gelet op de letter van deze bepaling gaat die verantwoordelijkheid dus over ongeacht de redenen waarom de overdracht van de persoon niet heeft plaatsgevonden en ongeacht of dat te wijten is aan de verzoekende lidstaat, de verantwoordelijke lidstaat of de betrokkene.

47 Hieruit volgt dat die verantwoordelijkheid ook overgaat wanneer de overdracht van de betrokkene niet heeft kunnen plaatsvinden binnen de gestelde overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening, omdat de overname en terugname van personen die om internationale bescherming verzoeken eenzijdig is opgeschort door de lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.

48 In de tweede plaats vindt deze letterlijke uitlegging steun in de context van artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening en in de doelstellingen van deze verordening.

49 Wat de context betreft, blijkt ten eerste uit artikel 29, lid 1, van deze verordening juncto artikel 8, lid 1, en artikel 9 van verordening nr. 1560/2003 dat de verzoekende lidstaat en de verantwoordelijke lidstaat overleg moeten plegen om de overdracht van de betrokkene uit te voeren en dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht is om deze overdracht zo spoedig mogelijk toe te staan en erop toe te zien dat de binnenkomst van die persoon op zijn grondgebied niet wordt belemmerd.

50 Voorts moet worden benadrukt dat uit artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening volgt dat de Uniewetgever de feitelijke onmogelijkheid om het overdrachtsbesluit uit te voeren niet heeft beschouwd als een rechtvaardiging voor de stuiting of opschorting van de gestelde overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van die verordening. De Uniewetgever heeft in die verordening immers geen algemene bepaling opgenomen die een dergelijke stuiting of opschorting van die termijn mogelijk maakt [zie in die zin arresten van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punten 65 en 66, en 12 januari 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Overdrachtstermijn – Meerdere verzoeken), C‑323/21-C‑325/21, EU:C:2023:4, punt 69]. A fortiori heeft de Uniewetgever evenmin voorzien in een uitzondering op de van rechtswege intredende overgang van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming na het verstrijken van die termijn.

51 Wat bepaalde veel voorkomende gevallen betreft waarin het feitelijk onmogelijk is om het overdrachtsbesluit uit te voeren, heeft de Uniewetgever in artikel 29, lid 2, van die verordening bovendien enkel bepaald dat de overdrachtstermijn tot maximaal één jaar kan worden verlengd indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kan worden uitgevoerd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt. Naast het feit dat deze bepaling niet ziet op de stuiting of de opschorting van de overdrachtstermijn maar op de verlenging ervan, dient in herinnering te worden gebracht dat die verlenging uitzonderlijk van aard is en dus strikt moet worden uitgelegd, zodat zij niet naar analogie kan worden toegepast op andere gevallen waarin het overdrachtsbesluit niet kan worden uitgevoerd [arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punten 67 en 68].

52 Om die redenen heeft het Hof geoordeeld dat de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening van toepassing was in situaties waarin de overdracht van de betrokkene onmogelijk was [arrest van 12 januari 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Overdrachtstermijn – Meerdere verzoeken), C‑323/21–C‑325/21, EU:C:2023:4, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dat geldt ook voor omstandigheden die niet aan de verzoekende lidstaat kunnen worden toegerekend, zoals de gezondheidstoestand van die persoon (zie in die zin arrest van 16 februari 2017, C.K. e.a., C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 89) of de COVID-19-pandemie [zie in die zin arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punt 71].

53 Wat ten tweede de door de Dublin III-verordening nagestreefde doelstellingen betreft, volgt uit de overwegingen 4 en 5 ervan dat deze verordening een duidelijke en hanteerbare methode beoogt vast te stellen, die gebaseerd moet zijn op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria, om snel te kunnen vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van die bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen [arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54 Om deze doelstelling van een snelle behandeling te verwezenlijken, heeft de Uniewetgever voor de overname- en terugnameprocedures een reeks dwingende termijnen gesteld om te waarborgen dat deze procedures zonder onnodige vertraging worden uitgevoerd [arrest van22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55 In het bijzonder wordt met de in artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening bepaalde overdrachtstermijn van zes maanden beoogd ervoor te zorgen dat de betrokken persoon zo snel mogelijk daadwerkelijk wordt overgebracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, en tegelijkertijd de beide betrokken lidstaten – gelet op de aan de overdracht van die persoon verbonden praktische complexiteit en organisatorische problemen – de nodige tijd te geven om overleg te plegen over de uitvoering van de overdracht, en meer in het bijzonder de verzoekende lidstaat de nodige tijd te geven om de wijze van overdracht te regelen [arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

56 Deze termijnen getuigen aldus van het bijzondere belang dat de Uniewetgever hecht aan een snelle vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, alsmede van het feit dat dergelijke verzoeken – gelet op het doel om daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling van een snelle behandeling van verzoeken om internationale bescherming niet te ondermijnen – volgens deze wetgever in voorkomend geval moeten worden behandeld door een andere lidstaat dan de lidstaat die op grond van de in hoofdstuk III van die verordening genoemde criteria als verantwoordelijk was aangewezen [zie in die zin arresten van 25 oktober 2017, Shiri, C‑201/16, EU:C:2017:805, punt 39; 13 november 2018, X en X, C‑47/17 en C‑48/17, EU:C:2018:900, punten 69 en 70, en 30 maart 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep), C‑556/21, EU:C:2023:272, punt 38].

57 De overgang van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming wanneer de overdracht van de verzoeker niet binnen de gestelde overdrachtstermijn plaatsvindt, draagt als zodanig bij tot de snelle vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat en waarborgt de daadwerkelijke toegang van de verzoeker tot de asielprocedure.

58 In dit verband biedt artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening zoals uitgelegd in het onderhavige arrest de lidstaat die aanvankelijk op grond van de criteria van hoofdstuk III van de Dublin III-verordening als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen, de facto de mogelijkheid om zich na afloop van de overdrachtstermijn louter door een eenzijdige opschorting van de procedures voor overname en terugname van personen die om internationale bescherming verzoeken, te onttrekken aan de krachtens die verordening op hem rustende verantwoordelijkheden en aldus de uit die verordening voortvloeiende verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten te wijzigen.

59 Evenwel moet ten eerste worden benadrukt dat het, zelfs in het geval van een dergelijke eenzijdige opschorting, aan de verzoekende en verantwoordelijke lidstaten is om overleg te plegen en samen te werken om vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening tot een overdracht te komen, zoals blijkt uit punt 49 van het onderhavige arrest. Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft benadrukt, blijft de verantwoordelijkheid van de lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, gedurende de overdrachtstermijn volledig behouden, zodat het bij die verordening ingevoerde systeem van criteria ter bepaling van de verantwoordelijkheid gedurende die termijn wordt gehandhaafd.

60 Ten tweede is de overgang van rechtswege van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming wanneer de overdracht van de betrokkene niet binnen die termijn plaatsvindt, uiteindelijk de enige manier om te waarborgen dat deze persoon daadwerkelijk toegang heeft tot de asielprocedure en dus ook dat hij daadwerkelijk zijn door artikel 18 van het Handvest gewaarborgde grondrecht om asiel aan te vragen in een lidstaat kan uitoefenen.

61 In de derde plaats moet in elk geval worden toegevoegd dat de verzoekende lidstaat de toepassing van artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening niet kan weigeren op grond dat de lidstaat die uit hoofde van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, de toepassing van de uit deze verordening voortvloeiende procedures heeft opgeschort.

62 In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat een lidstaat de niet-nakoming van de krachtens het Unierecht op hem rustende verplichtingen volgens vaste rechtspraak niet kan rechtvaardigen door erop te wijzen dat andere lidstaten eveneens in gebreke zijn gebleven. In de door het VWEU tot stand gebrachte rechtsorde van de Unie kan de uitvoering van het Unierecht door de lidstaten immers niet afhankelijk worden gesteld van een wederkerigheidsvoorwaarde. De artikelen 258 en 259 VWEU voorzien in passende rechtsmiddelen voor het geval dat de lidstaten hun uit het VWEU voortvloeiende verplichtingen niet nakomen (zie in die zin arresten van 11 januari 1990, Blanguernon, C‑38/89, EU:C:1990:11, punt 7, en 11 juli 2018, Commissie/België, C‑356/15, EU:C:2018:555, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Een schending van de Dublin III-verordening door de lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening aanvankelijk als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, zoals de verwijzende rechter in het kader van het hoofdgeding heeft geïdentificeerd, kan dus worden verholpen door de mogelijkheid voor de Europese Commissie en voor elke andere lidstaat om krachtens artikel 258 respectievelijk artikel 259 VWEU tegen deze lidstaat een beroep wegens niet-nakoming in te stellen (zie naar analogie arresten van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe, C‑752/18, EU:C:2019:1114, punt 53, en 21 december 2021, Randstad Italia, C‑497/20, EU:C:2021:1037, punt 79).

64 Uit het voorgaande volgt dat, wat het hoofdgeding betreft, de Bondsrepubliek Duitsland pas bij het verstrijken van de overdrachtstermijn, in voorkomend geval, de lidstaat wordt die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van DO indien het overdrachtsbesluit niet wordt uitgevoerd.

65 Om de verwijzende rechter een nuttig en volledig antwoord te geven, moet hieraan nog worden toegevoegd dat artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer aan het beroep tegen een overdrachtsbesluit overeenkomstig artikel 27, lid 4, van die verordening opschortende werking is verleend, zoals het geval is in het hoofdgeding, de overdrachtstermijn begint te lopen vanaf de definitieve beslissing op dat beroep, zodat het overdrachtsbesluit uiterlijk zes maanden na die definitieve beslissing moet worden uitgevoerd [zie in die zin arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit), C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709, punt 49].

66 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat: – artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, niet gehouden is het onderzoek van de criteria van hoofdstuk III voort te zetten noch zelf de verantwoordelijke lidstaat wordt, wanneer de lidstaat die aanvankelijk op grond van die criteria als verantwoordelijk was aangewezen, eenzijdig de overname en terugname heeft opgeschort van personen ten aanzien van wie op grond van die verordening een overdrachtsbesluit is vastgesteld en er in die laatste lidstaat geen sprake is van systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest; – artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de overdracht van die personen niet kan worden uitgevoerd binnen de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van deze verordening, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming van rechtswege overgaat op de verzoekende lidstaat, zelfs indien de niet-uitvoering van de overdracht het gevolg is van de eenzijdige beslissing van de lidstaat die oorspronkelijk op grond van de criteria van hoofdstuk III van die verordening als verantwoordelijke was aangewezen om de overname en terugname van die personen op te schorten.

Derde vraag

67 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond dat de verantwoordelijke lidstaat niet bereid is om de persoon die om internationale bescherming verzoekt, over of terug te nemen.

68 Volgens artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 zijn de lidstaten, naast de gevallen waarin een verzoek om internationale bescherming niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig de Dublin III-verordening, niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker overeenkomstig richtlijn 2011/95 voor een dergelijke bescherming in aanmerking komt, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. In dit verband wordt in lid 2 van dat artikel een exhaustieve opsomming gegeven van de situaties waarin de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen [arresten van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 76, en 1 augustus 2022, Bundesrepublik Deutschland (Kind van vluchtelingen, geboren buiten de ontvangende staat), C‑720/20, EU:C:2022:603, punt 48].

69 Zowel uit het uitputtende karakter van de opsomming in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 als uit het afwijkende karakter van de in deze opsomming genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid volgt dat deze bepaling strikt moet worden uitgelegd en dus niet kan worden toegepast op een situatie die niet overeenstemt met de bewoordingen ervan [zie in die zin arrest van 1 augustus 2022, Bundesrepublik Deutschland (Kind van vluchtelingen, geboren buiten de ontvangende staat), C‑720/20, EU:C:2022:603, punt 51].

70 Noch de omstandigheid dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, noch, a fortiori, de eenzijdige opschorting door die andere lidstaat van de procedures voor de overname en terugname van personen die om internationale bescherming verzoeken, behoort tot de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 opgesomde situaties.

71 Bovendien blijkt uit de bewoordingen van artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32, en met name uit de bijwoordelijke bepaling „[n]aast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig [de Dublin III-verordening]”, dat deze bepaling een duidelijk onderscheid maakt tussen de gevallen waarin een verzoek om internationale bescherming niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig die verordening en de gevallen waarin dat verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens de in artikel 33, lid 2, van die richtlijn uitputtend opgesomde gronden (zie in die zin beschikking van 5 april 2017, Ahmed, C‑36/17, EU:C:2017:273, punt 38).

72 Wanneer de lidstaat die de verantwoordelijke lidstaat moet aanwijzen, echter besluit een verzoek om internationale bescherming niet te behandelen op de niet in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 genoemde grond dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dat verzoek en dat die andere lidstaat een verzoek om overname of terugname van de verzoeker heeft aanvaard, heeft de Uniewetgever zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk verzoek niet middels een besluit van niet-ontvankelijkheid krachtens deze bepaling moest worden afgewezen, maar middels een besluit tot overdracht en niet-behandeling krachtens artikel 26 van de Dublin III-verordening [zie naar analogie beschikking van 5 april 2017, Ahmed, C‑36/17, EU:C:2017:273, punten 39 en 41, en arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 79].

73 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het op grond daarvan niet mogelijk is om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren omdat de verantwoordelijke lidstaat niet bereid is om de persoon die om internationale bescherming verzoekt, over of terug te nemen.

Vierde en vijfde vraag

74 Gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag hoeven de vierde en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

75 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 2, tweede en derde alinea, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, niet gehouden is het onderzoek van de criteria van hoofdstuk III voort te zetten noch zelf de verantwoordelijke lidstaat wordt, wanneer de lidstaat die aanvankelijk op grond van die criteria als verantwoordelijk was aangewezen, eenzijdig de overname en terugname heeft opgeschort van personen ten aanzien van wie op grond van die verordening een overdrachtsbesluit is vastgesteld en er in die laatste lidstaat geen sprake is van systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

2) Artikel 29, lid 2, van verordening nr. 604/2013 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de overdracht van die personen niet kan worden uitgevoerd binnen de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van deze verordening, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming van rechtswege overgaat op de verzoekende lidstaat, zelfs indien de niet-uitvoering van de overdracht het gevolg is van de eenzijdige beslissing van de lidstaat die oorspronkelijk op grond van de criteria van hoofdstuk III van die verordening als verantwoordelijke was aangewezen om de overname en terugname van die personen op te schorten.

3) Artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming moet aldus worden uitgelegd dat het op grond daarvan niet mogelijk is om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren omdat de verantwoordelijke lidstaat niet bereid is om de persoon die om internationale bescherming verzoekt, over of terug te nemen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in