Rb. Den Haag 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29847

Uitspraak van de meervoudige kamer. Artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit bevat zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en de rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. In de aanvullende motiveringen van verweerder ziet de rechtbank reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de Afdeling dat verweerder het economisch belang mag interpreteren als algeheel welvaartsbelang dat breder is dan de vraag of iemand mogelijk ten laste komt van de openbare kas.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48991
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Inleiding

1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor haar gezinsleden. Verweerder heeft deze aanvraag met de besluiten van 5 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2025 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2 De rechtbank had de behandeling van het beroep op zitting gepland op 21 april 2026. Op 13 april 2026 heeft verweerder verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden om het bestreden besluit aanvullend te motiveren. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Op 30 april 2026 heeft verweerder een aanvullende motivering aan het digitale dossier toegevoegd. Eiseres heeft hier op 22 mei en 9 juni 2026 op gereageerd.

1.3 Verweerder heeft op 17 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

1.4 De rechtbank had de behandeling van het beroep opnieuw op zitting gepland op 24 juni 2026. Op 23 juni 2026 heeft verweerder opnieuw verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden om een aanvullende motivering te schrijven. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Op 3 juli 2026 heeft verweerder een aanvullende motivering aan het dossier toegevoegd. Eiseres heeft hier op 14 juli en 16 juli 2026 op gereageerd.

1.5 De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, I.A. Mohamed als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2 Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Somalische nationaliteit. Zij heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 11 oktober 2022 heeft eiseres mvv-aanvragen ingediend voor haar moeder, haar minderjarige broer en zus, en haar minderjarige neef en nicht (de kinderen van haar broer). Eiseres heeft verklaard dat haar vader en haar broer in Somalië zijn vermoord door Al-Shabaab en dat haar schoonzus is overleden bij een auto-ongeluk. Eiseres en haar gezinsleden hebben altijd samengewoond tot aan haar vertrek uit Somalië. Volgens eiseres is er daarom met al haar gezinsleden sprake van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM en zij wensen dit familieleven samen in Nederland uit te oefenen.

3 Verweerder heeft geconcludeerd dat de identiteit van de gezinsleden en de familierechtelijke relatie tussen de gezinsleden niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder geeft echter het voordeel van de twijfel, omdat hij geen waarde hecht aan Somalische documenten en de identiteit en familierechtelijke relatie daarom ook niet aannemelijk gemaakt kunnen worden door middel van documenten. Tussen eiseres en haar moeder heeft verweerder gezinsleven aangenomen, omdat eiseres voldoet aan het jongvolwassenenbeleid. Tussen eiseres en haar broer en zus heeft verweerder geen gezinsleven aangenomen, omdat geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Volgens verweerder is de pleegrelatie tussen eiseres en haar neef en nicht niet aannemelijk gemaakt. Ook is er geen gezinsleven tussen eiseres en haar neef en nicht, omdat geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Subsidiair heeft verweerder wel hechte persoonlijke banden aangenomen tussen eiseres en haar broer, zus, neef en nicht. Verweerder heeft de belangen van eiseres om het gezinsleven in Nederland uit te oefenen afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat. Deze belangenafweging is in het nadeel van eiseres uitgevallen.

Wat vindt eiseres in beroep?

4 Kort samengevat voert eiseres het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen familie- en gezinsleven aangenomen tussen eiseres en haar broer en zus. Ook heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de pleegrelatie tussen eiseres en haar neef en nicht niet aannemelijk is gemaakt. Daarnaast is er ook tussen eiseres en haar neef en nicht sprake van familie- en gezinsleven. Verder kan eiseres zich niet verenigen met de belangenafweging van verweerder.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5 De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de beroepsgronden.

Toetsmoment rechtbank

6 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank een ex nunc-beoordeling moet maken van de vraag of sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. De rechtbank stelt vast dat verweerder reeds zelf in de laatste aanvullende motivering van 3 juli 2026 alle op dat moment bekende recente feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling heeft betrokken. Daarmee ligt aan het bestreden besluit, zoals aangevuld, een beoordeling ten grondslag die zowel de situatie ten tijde van het bestreden besluit als de meest actuele situatie omvat. Eiseres heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat zich na 3 juli 2026 nog nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die niet in de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank zal daarom bij haar beoordeling uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in de aanvullende motivering van 3 juli 2026.

Pleegrelatie tussen eiseres en haar neef en nicht

Standpunt van eiseres

7 Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat daarin de bezwaargronden ten aanzien van de neef en nicht van eiseres niet zijn betrokken. In de aanvullende motivering van 30 april 2026, waarin verweerder alsnog op deze bezwaargronden is ingegaan, heeft verweerder ten onrechte het moment van de indiening van de aanvraag als peilmoment genomen. Het peilmoment moet het moment van inreis van eiseres in Nederland zijn. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat er op dat moment geen sprake was van een pleegrelatie tussen eiseres en haar neef en nicht. De biologische ouders waren op dat moment reeds overleden en dus niet in staat om voor hen te zorgen. Ook is ten onrechte overwogen dat eiseres voor haar vertrek uit Somalië niet de primaire verzorger van de kinderen was. Daarnaast is het onevenredig dat verweerder de overlijdensverklaring, waarin de voogdij aan eiseres is toegekend, buiten beschouwing laat. Gelet op de feitelijke zorgtaken van eiseres en het feit dat zij nu de enige overgebleven directe familie is, moeten haar neef en nicht worden aangemerkt als haar pleegkinderen. Verweerder stelt ten onrechte dat een pleegrelatie niet op afstand kan ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

8 De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is, omdat daarin niet is ingegaan op de bezwaargronden over de pleegrelatie tussen eiseres en haar neef en nicht. Verweerder heeft dit ook erkend en is hier in de aanvullende motivering van 30 april 2026 alsnog op ingegaan.

9 Als een nareisaanvraag een gesteld pleegkind betreft, moet verweerder beoordelen of dat pleegkind voldoet aan het vereiste dat hij of zij tot het gezin van de referent (in dit geval eiseres) behoort op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland. De beoordeling van deze vraag is onlosmakelijk verbonden met de daaraan voorafgaande beoordeling van de vraag of het pleegkind nog behoort tot het gezin van zijn of haar biologische ouders. Bij de beoordeling van de vraag of een pleegkind feitelijk deel uitmaakt

van het gezin van de referent (in dit geval eiseres), betrekt verweerder:

de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders;
de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;
de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent;
in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; en
of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.

9.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder in de aanvullende motivering van 30 april 2026 ten onrechte heeft gesteld dat het peilmoment de indiening van de mvv-aanvragen is. In nareiszaken is het eerste peilmoment namelijk het moment van inreis van de referent (in dit geval eiseres) en het tweede peilmoment het nemen van het besluit. De omstandigheid dat verweerder dit peilmoment aanvankelijk verkeerd heeft benoemd, leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit op dit punt. Verweerder heeft immers, blijkens de aanvullende motivering, feitelijk wél beoordeeld of op het moment van inreis van eiseres in Nederland sprake was van een pleegrelatie tussen eiseres en haar neef en nicht. Dat maakt dat verweerder het juiste peilmoment materieel dus wel heeft toegepast.

9.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de neef en nicht van eiseres op het moment van inreis van eiseres in Nederland tot het gezin van de moeder van eiseres behoorden, en niet tot het gezin van eiseres. Op het moment dat eiseres vertrok uit Somalië was haar broer nog in leven en was hij de primaire ouder en verzorger van de kinderen. Op het moment van inreis van eiseres in Nederland was ook haar broer overleden en waren de biologische ouders van haar neef en nicht dus beiden overleden en niet langer in staat om voor hen te zorgen. De neef en nicht van eiseres behoorden op dat moment tot het gezin van de moeder van eiseres en niet tot het gezin van eiseres, omdat de moeder van eiseres de ouderrol vervulde. De omstandigheid dat eiseres voor haar neef en nicht zorgde als haar moeder en broer aan het werk waren, maakt niet dat een pleegrelatie is ontstaan. Voor een pleegrelatie is meer vereist dan het uitvoeren van zorgtaken, omdat het gaat om de vraag of eiseres een ouderrol op zich heeft genomen.
Ook het betoog van eiseres dat verweerder ten onrechte de overlijdensverklaring, waarin de voogdij aan haar is toegekend, buiten beschouwing heeft gelaten, slaagt niet. Verweerder heeft dit document immers niet buiten beschouwing gelaten, maar heeft daarover kunnen opmerken dat dit document pas na inreis van eiseres in Nederland is opgemaakt en dat nooit sprake is geweest van een feitelijke pleegrelatie. Verweerder heeft daarbij tevens terecht van belang geacht dat eiseres nooit financieel verantwoordelijk is geweest voor haar neef en nicht, en dat de periode van samenwoning met hen voortvloeide uit de omstandigheid dat zij allen – dus ook hun vader – bij de moeder van eiseres woonden, en niet uit een zelfstandige verzorgingsrelatie tussen eiseres en de kinderen.
Tot slot faalt het betoog van eiseres dat een pleegrelatie ook op afstand kan ontstaan. Verweerder heeft in het kader van nareis terecht opgemerkt dat hiervoor geen ruimte bestaat, omdat voor nareis bepalend is of de gezinsband tussen referent en het gestelde pleegkind reeds vóór de inreis van de referent in Nederland is ontstaan. Nu de gezinsband tussen eiseres en haar neef en nicht, zoals hiervoor overwogen, ten tijde van de inreis van eiseres nog niet bestond, kan een eerst na die inreis ontstane of erkende relatie niet alsnog als pleegrelatie in de zin van het beleid worden aangemerkt.
Familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar broer, zus, neef en nicht
Standpunt van eiseres
10. Eiseres stelt dat verweerder in zijn beoordeling de indruk wekt dat hij een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie vereist, terwijl hij moet beoordelen of sprake is van hechte persoonlijke banden. Volgens eiseres is er wel sprake van hechte persoonlijke banden tussen haar en de kinderen, omdat zij vanaf hun geboorte tot aan het vertrek van eiseres uit Somalië hebben samengewoond en eiseres verantwoordelijk was voor de huishoudelijke taken en de dagelijkse verzorging van de kinderen. Meerdere personen in een gezin kunnen dergelijke taken verrichten waardoor sprake is van hechte persoonlijke banden en het is hiervoor niet vereist dat eiseres feitelijk de primaire of vervangende verzorger is. Ook is voor het aannemen van hechte persoonlijke banden niet vereist dat de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt. Verweerder miskent het gewicht dat volgens het arrest Kruškić en standaardjurisprudentie van de Afdeling wordt gehecht aan langdurige samenwoning, de zorgtaken van eiseres, en het feit dat het, in het geval van haar neef en nicht, om weeskinderen gaat.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed gemotiveerd heeft dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar broer, zus, neef en nicht. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.

11.1 Volgens verweerder is het inherent aan het samenwonen dat eiseres, wanneer haar oudere broer en haar moeder aan het werk waren, de zorgtaken voor de kinderen op zich nam. De enkele samenwoning is volgens verweerder onvoldoende om te kunnen spreken van hechte persoonlijke banden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgtaken die eiseres verrichtte. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat de kinderen twee uur per dag naar de Koranschool gingen en dat zij de rest van de dag, totdat haar moeder klaar was met werken, alleen thuis was met de kinderen en voor hen zorgde. Eiseres verzorgde het huishouden, kookte het eten, waste de kleding en hielp de kinderen met douchen. De gemachtigde van verweerder heeft deze verklaring op de zitting niet in twijfel getrokken. De rechtbank gaat daarom uit van de deze situatie, mede omdat deze aansluit bij hetgeen eiseres al eerder in de procedure over haar zorgtaken naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de zorgtaken die eiseres op zich nam de gebruikelijke omgang tussen broers en zussen en tussen tantes en neven en nichten ontstijgen. Eiseres heeft er daarnaast terecht op gewezen dat meerdere personen binnen een gezin zorgtaken kunnen verrichten en dat voor het bestaan van hechte persoonlijke banden niet vereist is dat eiseres de primaire ouderrol heeft.

11.2 De rechtbank zal daarom het subsidiair ingenomen standpunt van verweerder toetsen en hierbij de door verweerder verrichte belangenafweging beoordelen.
Belangenafweging
Standpunt van eiseres
12. Eiseres kan zich niet vinden in de belangenafweging van verweerder. Volgens eiseres is er een kleinere beoordelingsruimte voor verweerder in het kader van de belangenafweging wanneer er sprake is van een objectieve belemmering. Verweerder geeft hier geen blijk van door de objectieve belemmering niet zwaar in het voordeel te wegen. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte een aantal andere aspecten niet in het voordeel van eiseres meegewogen, zoals de banden van eiseres met Nederland, het feit dat zij haar hele leven heeft samengewoond met haar gezinsleden totdat zij moest vluchten en het feit dat zij jongvolwassene is. De stappen die eiseres heeft gezet naar zelfstandigheid waren noodgedwongen, en zij heeft ook hard gewerkt juist met als doel om de gezinshereniging mogelijk te maken. Verweerder vereist enerzijds dat eiseres zelfstandig is om te voorzien in het levensonderhoud van haarzelf en haar gezinsleden en anderzijds worden de stappen naar zelfstandigheid in haar nadeel gewogen. Verder heeft verweerder ten onrechte in het nadeel meegewogen dat sprake is van een eerste toelating. Verweerder heeft bij de beoordeling van de aard en intensiteit van het gezinsleven daarnaast ten onrechte geen rekening gehouden met de lange duur van de gezinsherenigingsprocedure. Ook weegt verweerder ten onrechte in het nadeel van eiseres dat zij inmiddels geen contact meer heeft met haar moeder, omdat haar moeder is verdwenen. Verweerder werpt verder ten onrechte tegen dat het gezinsleven ook op afstand kan worden voortgezet. Bovendien heeft verweerder de belangen van het kind onvoldoende meegewogen. Ook heeft verweerder de asielgerelateerde omstandigheden ten onrechte niet betrokken bij de belangenafweging. Tot slot weegt verweerder het economisch belang van de Nederlandse Staat ten onrechte zwaar in het nadeel. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat het economisch belang ook gaat over de bescherming van de arbeidsmarkt en de door de overheid betaalde voorzieningen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Deze meer algemene aspecten van het economisch welzijn worden niet genoemd in de rechtspraak van het EHRM. Ook heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of eiseres alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht kan worden om te voorzien in de kosten van het levensonderhoud van haar en haar gezinsleden. Daarbij heeft verweerder ook niet betrokken dat de gezinsleden van eiseres in Nederland ook zullen inburgeren, naar school gaan en geschikt werk vinden.
Oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat in de belangenafweging met betrekking tot het economisch belang. In de aanvullende motivering van 30 april 2026 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan het economisch belang een vast gewicht toekomt in elke zaak en heeft dit standpunt in de plaats gesteld van dat wat in het bestreden besluit was overwogen over het economisch belang. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026 en het hierna verschenen Informatiebericht 2026/22 Weging economisch belang in 8 EVRM-zaken, heeft verweerder met dit standpunt de belangenafweging niet goed gemotiveerd. Verweerder heeft dit ook erkend en op 3 juli 2026 een aanvullende motivering ingediend ten aanzien van het economisch belang.
14. De Afdeling heeft in de uitspraken van 27 mei 2026 geoordeeld dat verweerder het economisch belang mag interpreteren als algeheel welvaartsbelang dat breder is dan de vraag of iemand mogelijk ten laste komt van de openbare kas. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de Afdeling. In het arrest M.A. tegen Denemarken heeft het EHRM geoordeeld dat restrictief immigratiebeleid een legitiem doel is voor de Staat om te interfereren in het recht op familie- en gezinsleven. Het EHRM heeft hierbij geoordeeld dat immigratiebeleid het algemeen belang dient van het economisch welzijn van een land, waarbij aan de Staat een ruime beoordelingsruimte wordt gegund. In het arrest B.F. e.a. tegen Zwitserland heeft het EHRM dit oordeel herhaald. Uit het feit dat het EHRM in dit arrest spreekt over ‘het vereiste van geen uitkeringsafhankelijkheid’ volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het economisch belang alleen uit dit aspect bestaat. Deze zaak ging namelijk specifiek over de vraag of en in hoeverre Staten financiële onafhankelijkheid als voorwaarde mogen stellen voor gezinshereniging, zoals Zwitserland in deze zaak had gedaan.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen. Zwaar in het voordeel van eiseres weegt dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Somalië uit te oefenen. De gezinsleden van eiseres leven ook in een zorgelijke situatie in Somalië. Het betoog van eiseres dat verweerder de asielgerelateerde omstandigheden — waaronder de reden van haar vlucht en de veiligheidssituatie van haar gezinsleden in Somalië — onvoldoende heeft betrokken, slaagt niet. Deze omstandigheden zijn verdisconteerd in de vaststelling dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Somalië uit te oefenen. Voor een zelfstandige, aanvullende weging van dezelfde omstandigheden bestaat geen grond. Ook weegt in het voordeel van eiseres dat zij het afgelopen jaar aanzienlijke inspanningen heeft verricht om haar eigen inkomen te verwerven. Eiseres volgt daarbij een mbo-opleiding Assistent Dienstverlening (niveau 1) en heeft erop gewezen dat het startsalaris na deze opleiding tussen de €1.862,- en €2.462,- ligt. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de lange duur van de gezinsherenigingsprocedure zwaarder in haar voordeel had moeten meewegen. Weliswaar heeft de procedure geruime tijd in beslag genomen, maar dit doet echter niet af aan het gewicht van de hierna genoemde economische belangen van de Staat, die immers actueel zijn en niet afnemen door het enkele tijdsverloop.
De objectieve belemmering en de door eiseres verrichte inspanningen maken niet automatisch dat de belangenafweging in haar voordeel zou moeten uitvallen, nu haar belangen moeten worden afgezet tegen de belangen van de Nederlandse Staat. Eiseres beoogt gezinshereniging voor vijf gezinsleden. Verweerder heeft in het nadeel kunnen wegen dat sprake is van een eerste toelating en dat de gezinsleden van eiseres bij toelating tot Nederland vrijwel zeker aanspraak zullen maken op uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten. Verweerder heeft deze verwachting kunnen baseren op de omstandigheid dat de moeder van eiseres, gelet op haar leeftijd en de te verwachten zorgbehoefte, bij toelating naar verwachting een beroep zal doen op de Nederlandse gezondheidszorg, en dat de vier minderjarige respectievelijk jongvolwassen kinderen leerplichtig zullen zijn en aanspraak zullen maken op onderwijsvoorzieningen. Ook zullen eiseres en haar gezinsleden aanspraak maken op een woning voor zes personen in de schaarse Nederlandse woningmarkt. Hoewel eiseres zich heeft ingespannen om inkomsten te verwerven, zit er veel ruimte tussen het verwachte bedrag dat eiseres na haar opleiding zal verdienen en de financiële middelen die nodig zijn om zes personen te onderhouden.
Verweerder heeft de belangen van de kinderen voldoende betrokken in de belangenafweging. Het EHRM heeft geoordeeld dat de belangen van het kind een belangrijke eerste overweging vormen, maar dat dit niet kan betekenen dat alle kinderen die in de lidstaten mogelijk een beter leven zouden hebben daarom in aanmerking moeten komen voor een verblijfsvergunning. Hoewel de situatie van de kinderen in Somalië, gelet op de veiligheidssituatie daar en de omstandigheid dat de moeder van eiseres is verdwenen, zorgelijk is, zijn zij geen jonge kinderen meer en zijn zij daarom minder afhankelijk van zorg dan toen zij jong waren (de jongste is inmiddels 14 jaar oud en de oudste is 19 jaar oud). Ook wonen zij inmiddels al bijna 7 jaar niet meer samen met eiseres en hebben zij hun eigen gezinseenheid gevormd. Eiseres zelf is inmiddels 27 jaar oud en heeft ook stappen naar zelfstandigheid gezet.
Tot slot heeft verweerder in het nadeel van eiseres mogen wegen dat banden tussen familieleden buiten het kerngezin een lagere mate van bescherming vereisen. Het aannemen van hechte persoonlijke banden op zichzelf zegt immers nog niets over het gewicht dat aan dit gezinsleven toekomt in de te verrichten belangenafweging. Het bestaan van hechte persoonlijke banden is weliswaar een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen spreken van door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven, maar staat dit er niet aan in de weg dat aan dit gezinsleven, gelet op de aard van de relatie buiten het kerngezin, in de belangenafweging een beperkter gewicht wordt toegekend dan aan gezinsleven binnen het kerngezin.
16. Alles overziend weegt de rechtbank de door eiseres genoemde voordelen — de objectieve belemmering, haar inspanningen tot zelfstandigheid en de belangen van de kinderen — niet lichtvaardig, maar zij wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de aanzienlijke en structurele aanspraak die vijf extra gezinsleden naar verwachting op de Nederlandse collectieve voorzieningen zullen maken, mede gelet op de omvang van het gezin en de beperkte financiële draagkracht van eiseres. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen.
Familierechtelijke relatie
17. Eiseres heeft nog aangevoerd dat de identiteit van en familierechtelijke relatie met haar gezinsleden wel aannemelijk is gemaakt met de overgelegde documenten in combinatie met haar verklaringen. Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder de belangenafweging in het nadeel heeft mogen laten uitvallen en de gezinsleden van eiseres daarom al niet in aanmerking komen voor een mvv, ook als de identiteit en familierechtelijke relatie wel vast zou staan, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

18 Het bestreden besluit bevat een zorgvuldigheidsgebrek, gelet op hetgeen is overwogen in overweging 8, en een motiveringsgebrek, gelet op hetgeen is overwogen in overweging 13. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. In de aanvullende motiveringen van verweerder ziet de rechtbank reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat hiermee voldoende gemotiveerd is dat de gezinsleden van eiseres niet in aanmerking komen voor een mvv.

19 Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.802,-.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, en mr. B. van Dokkum en mr. F. Arichi, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken