Rb. Den Haag 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29417
P-v mondelinge uitspraak, artikel 6 lid 3, lichter middel, ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.56272
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. C. Chen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2 Met het bestreden besluit van 22 september 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van minister.
2.3 Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
3 Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4 Eiser voert aan dat zijn aanvraag niet in de grensprocedure behandeld had hoeven worden en dat er een lichter middel had moeten worden opgelegd. Eiser is een LHBTI-er uit Turkije, waardoor zijn asielaanvraag als kansrijk kan worden gezien. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juli 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2026.
5 Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een andere zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over – onder andere – de noodzaak van grensdetentie en toepassen van een lichter middel. In afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen conformeert de rechtbank zich aan de uitspraak van 2 september 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Daaruit volgt dat de minister in een vrijheidsontnemende maatregel niet nader hoeft te motiveren waarom hij de asielgrensprocedure toepast en dat de lichter-middel-beoordeling in grensdetentiezaken niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
6 De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel eiser is gehoord en aan hem is gevraagd of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Eiser heeft daarop aangevoerd dat hij Hiv-positief is getest en daarvoor medicatie slikt. Hij heeft ook aangegeven voldoende medicatie bij zich te hebben. De minister heeft die medische omstandigheden kenbaar in de maatregel betrokken. Verder heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser zich zo nodig kan wenden tot de medische dienst en heeft hij kunnen volstaan met deze verwijzing naar de medische voorzieningen. Er is niet gebleken dat die tot nu toe ontoereikend zijn geweest. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn klachten zodanig zijn, dat de maatregel daarom onevenredig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gezien het voorgaande en gelet op het zwaarwegend grensbewakingsbelang, terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7 Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.