Rb. Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24332
asiel, AMB-verordening, Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 43(1) AMBV, ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38827
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1 De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.38828, op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Welk recht is van toepassing?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving vastgesteld voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Ten tijde van het indienen van het verzoek van eiser was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. Deze overgangsbepaling ziet dus uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. Voor het overige is vanaf 12 juni 2026 de Amb-verordening van toepassing.
3.1 In dit geval is geen sprake van toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria. De minister heeft Frankrijk niet om overname, maar om terugname van eiser verzocht. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard. De verantwoordelijkheid van Frankrijk is daarmee niet vastgesteld aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria waarop artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening ziet.
3.2 De minister heeft het bestreden besluit daarom terecht gebaseerd op de Amb-verordening. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep daarom ook uit van artikel 43 van de Amb-verordening. De rechtbank zal daarop onder 5 nader ingaan.
Kan de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat sprake is van ernstige, systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Hij verwijst als onderbouwing naar de AIDA-rapporten over Frankijk van 2023, 2024, 2025 en 2026. Uit deze rapporten volgt dat de opvangproblemen in Frankrijk structureel zijn en dat er daarom een reële kans bestaat dat eiser op straat zal komen te staan. Zo volgt uit het AIDA-rapport van 2026 dat eind 2023 nog 29,6% van de personen in de Dublinprocedure opvang kreeg, terwijl dit eind 2025 nog maar 20,2% was. Bovendien heeft eiser al eerder in Frankrijk een afwijzende asielbeschikking ontvangen en tijdens de behandeling van die asielaanvraag heeft hij ook geen opvang gekregen vanuit de Franse overheid. Dit heeft de minister niet onderkend. Dit betekent verder dat eiser in Frankrijk een herhaalde asielaanvraag zal moeten doen. Uit het AIDA-rapport van 2026 volgt dat de kans groot is dat eiser daarom geen opvang zal krijgen. Tot slot betoogt eiser dat klagen over de opvangfaciliteiten bij de autoriteiten geen zin heeft. In dat kader verwijst hij naar de uitspraak M.K. e.a. tegen Frankrijk van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
4.1 Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door de vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaten in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 16, derde lid, van de Amb-verordening volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een vreemdeling als gevolg van de overdracht aan die lidstaat een reëel risico zou lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden.
4.2 Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Frankrijk nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit in haar uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025 nog bevestigd. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. De Afdeling heeft in deze laatste uitspraak ook het AIDA-rapport van 2025 betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen. In dat kader overweegt de rechtbank dat het AIDA-rapport van 2026 geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk. Uit dit rapport volgt zelfs een verbeterd beeld van de opvangvoorzieningen ten opzichte van het vorige jaar. In 2025 waren er 59.1% asielzoekers zonder opvang en in 2024 was dat 61,3%. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat uit het AIDA-rapport van 2026 volgt dat de Franse autoriteiten pogingen hebben gedaan om meer opvangplekken te creëren, zodat van onverschilligheid van de autoriteiten geen sprake is. Het genoemde percentage van 20,2% waarnaar eiser verwijst, heeft betrekking op asielzoekers die in Frankrijk in de Dublinprocedure worden behandeld en vanuit Frankrijk worden overgedragen aan een andere lidstaat. Uit het AIDA-rapport volgt dat personen die via de Dublinprocedure worden overgedragen aan Frankrijk niet als een aparte groep worden gezien binnen het Franse opvangsysteem. In plaats daarvan worden zij gelijkgesteld aan asielzoekers die via de reguliere procedure hun aanvraag doen. Dit betekent dat Dublinterugkeerders dezelfde toegang hebben tot opvangvoorzieningen als andere asielzoekers. De rechtbank gaat er van uit dat dit ook geldt voor terugkeerders zoals eiser die op grond van de Amb-verordening terugkeren.
4.3 Hoewel uit het AIDA-rapport uit 2026 blijkt dat de materiële opvangfaciliteiten bij opvolgende aanvragen kunnen worden geweigerd en dat de Franse autoriteiten dit in de gevallen waarin zij deze mogelijkheid hebben ook doen, betekent dit niet dat Frankrijk daarmee in strijd handelt met Europees recht. Artikel 23, tweede lid, onder c, van de herziene Opvangrichtlijn biedt namelijk de mogelijkheid dat bij opvolgende asielverzoeken de opvangvoorzieningen kunnen worden beperkt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk in strijd met dit artikel handelt.
4.4 Verder hebben de Franse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling nemen. Daarmee garanderen zij dat ze zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese verordeningen en richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Mocht eiser toch problemen ondervinden in Frankrijk, dan stelt de minister terecht dat het op de weg van eiser ligt om daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Dat eiser, zoals hij op de zitting heeft verklaard, tijdens zijn vorige asielprocedure één keer telefonisch heeft geprobeerd te klagen, is onvoldoende om te concluderen dat de Franse autoriteiten niet kunnen of willen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben. Ook het beroep van eiser op het M.K.-arrest leidt in dit kader niet tot een ander oordeel. Die zaak ging namelijk over een specifieke, individuele situatie waarin de Franse autoriteiten geen noodhuisvesting verstrekten aan een vrouw en haar dochters, terwijl ze daar volgens rechterlijke uitspraken wel recht op hadden. Hieruit blijkt niet dat klagen door een terugkeerder op grond van de AMB-verordening over het (mogelijk) uitblijven van opvang in Frankrijk in zijn geheel niet effectief is.
Had de minister aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen?
5. Voor zover eiser betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat hij gehouden was zijn asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen kan dit betoog niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat. Uit artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening volgt dat eiser hiertegen niet in rechte kan opkomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd
6. Eiser heeft voor het overige verzocht om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde overwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.
Conclusie en gevolgen
7 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623
- HvJ EU 6 maart 2025, C-575/23, ECLI:EU:C:2025:141
- ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455
- ABRvS 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552
- HvJ EU 29 februari 2024, C-392/22, ECLI:EU:C:2024:195
- EHRM 8 december 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918
- HvJ EU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218
- Gerecht EU 27 juni 2017, T-151/16, ECLI:EU:T:2017:437
- EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609