Rb. Den Haag 4 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10567

Prejudiciële vraag ‘uitsluitingsgrond staatloze Palestijnen’. Verzoekers zijn een gezin bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter. Verzoekers zijn door UNRWA geregistreerd. Zij zijn niet afkomstig uit het werkgebied van UNRWA en kunnen niet aannemelijk maken dat zij eerder bescherming en/of bijstand aan UNRWA hebben gevraagd en ook hebben verkregen. Verzoekers zijn afkomstig uit Libië, maar bezitten geen nationaliteit en zijn niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor enig land en hebben thans van geen enkel derdeland toestemming voor toelating en/of verblijf. Om te kunnen beoordelen of verzoekers aanspraak maken op verlening van een internationale beschermingsstatus, moet de rechtbank allereerst nagaan of verzoekers, omdat zij staatloze Palestijnen zijn en gelet op de UNRWA-registratie, zijn uitgesloten van de vluchtelingenstatus en moet de rechtbank dus de mogelijke toepasselijkheid van artikel 12, lid 1, onder a, van richtlijn 2011/95 op de situatie van de verzoekers onderzoeken. Artikel 12, eerste lid, onder a, van richtlijn 2011/95 is van toepassing op onderdanen van een derdeland en staatlozen die onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève vallen. Uit de interpretatie die UNHCR aan artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève geeft in Guideline No. 13 bij dit Verdrag, volgt dat verzoekers onder deze bepaling vallen. De rechtbank vraagt het Hof te verduidelijken of een volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève kan leiden tot het in het Unierecht stellen van nadere vereisten aan de toepasselijkheid van de eerste volzin van artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève. De rechtbank meent van niet. Verzoekers hebben niet de nationaliteit van een van de gastlanden van UNRWA en hebben ook geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in die landen. UNRWA heeft geen mandaat om vluchtelingen te resettelen. De rechtbank vraagt zich af of de omstandigheid dat verzoekers niet afkomstig zijn uit een sector van het werkgebied van UNRWA en zich daarom niet kunnen begeven ‘naar een sector van het werkgebied van die organisatie waar deze staatloze vroeger gewoonlijk verbleef’, reeds moet worden aangemerkt een situatie waarin de bescherming of bijstand van UNRWA -voor verzoekers- moet worden geacht te zijn opgehouden en verzoekers daarom ‘ipso facto’ voor de voorzieningen uit richtlijn 2011/95 in aanmerking komen. Indien het Unierecht niet op deze wijze moet worden uitgelegd heeft te gelden dat verzoekers en verweerder geen terugkeerverplichting kunnen uitvoeren. Libië kan niet als land van terugkeer worden aangemerkt gelet op de vereisten die richtlijn 2008/115 en de rechtspraak van het Hof hieraan stellen. De rechtbank vraagt het Hof in dat geval om te verduidelijken hoe deze situatie zich verhoudt met artikel 1 van het Handvest. Indien aan een derdelander door een lidstaat van de Unie de vluchtelingenstatus is verleend, maar deze derdelander zich niet onder bescherming van de statusverlenende lidstaat kan stellen, dient bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming dat in een andere lidstaat wordt ingediend, ten volle rekening te worden gehouden met deze eerder verleende vluchtelingenstatus en de elementen die deze beslissing ondersteunen. Indien een door UNRWA erkende staatloze Palestijnse vluchteling zich niet onder bescherming van UNRWA kan stellen maar aan hem niet de voorzieningen van richtlijn 2011/95 toekomen, wordt aan de omstandigheid dat de internationale gemeenschap de betreffende staatloze Palestijn reeds als vluchteling heeft erkend, geen betekenis toegekend. De rechtbank vraagt zich af of dit verenigbaar is met artikel 21, tweede lid, van het Handvest, waarin is bepaald dat binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit is verboden. De rechtbank verzoekt het Hof om artikel 12, eerste lid onder a, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikelen 1 en 21, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, nader te verduidelijken en houdt de behandeling van het beroep aan in afwachting van het arrest.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken