Rb. Den Haag 26 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8169

Op de Syrische vreemdeling is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing. Vanwege dreigend risico op schending van artikel 3 van het EVRM is geen terugkeerbesluit en inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling is wel een besluit tot signalering in SIS voor de duur van 20 jaar opgelegd, omdat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het beroep tegen de signalering slaagt. De rechtbank stelt vast dat uit paragraaf A4/4.2 van de Vc 2000 volgt dat voor het bepalen van de duur van een SIS signalering wordt verwezen naar paragraaf A2/2.3 van de Vc 2000 die gaat over het opleggen van inreisverboden. Daarin wordt verwezen naar artikel 6.5a, lid 6 van het Vb 2000 waarin is geregeld dat de duur van een inreisverbod 20 jaar bedraagt indien de vreemdeling naar het oordeel van de minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. De rechtbank stelt eveneens vast dat in paragraaf A2/12.6 is geregeld dat de duur van een SIS signalering bij een gevaar voor nationale veiligheid 10 jaar bedraagt. In de Vc 2000 worden dus in twee verschillende paragrafen andere termijnen genoemd voor de duur van een SIS signalering dan wel een inreisverbod, als sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Desgevraagd heeft de minister op zitting naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen verklaren hoe deze paragrafen zich tot elkaar verhouden en waarom in het ene geval bij een gevaar voor de nationale veiligheid de SIS signalering beperkt is tot een duur van 10 jaar en deze in het andere geval 20 jaar kan bedragen. Het door de minister gelegde verband met het terugkeerbesluit en inreisverbod bij toepassing van paragraaf A2/12.6, kan de rechtbank niet volgen. In dat geval zou bij het opleggen van een inreisverbod van 20 jaar de SIS signalering maximaal 10 jaar mogen bedragen, hetgeen op zichzelf al opmerkelijk is, terwijl de signaleringsduur zonder inreisverbod 20 jaar mag bedragen. Desgevraagd heeft de minister ter zitting hierover verder geen inzicht in kunnen verschaffen. Daarbij komt dat de minister ter zitting heeft erkend dat zij – ook bij het opleggen van de SIS signalering – aan het Unierechtelijke openbare orde criterium zoals volgt uit de arresten van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O (ECLI:EU:C:2015:377) en het arrest van 2 mei 2018,. K. en H.F (ECLI:EU:C:2018:2960) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3017) moet toetsen. Hierop is in de besluitvorming niet ingaan en de summiere toelichting ter zitting over de vraag of eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken