Rb. Den Haag 13 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21378

Regulier met als verblijfsdoel familie en gezin. Gegrond. De rechtbank overweegt dat de minister in sommige gevallen gehouden is ambtshalve onderzoek te doen naar de medische situatie van een vreemdeling. Uit artikel 6.1d, eerste lid, Vb volgt dat bij de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ambtshalve wordt beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw. Uit het tweede lid volgt dat dit uitsluitend het geval is indien de aanvraag betrekking heeft op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb en het de eerste zodanige aanvraag betrof. Nu het de eerste zodanige aanvraag betrof is de rechtbank van oordeel dat de minister gehouden was om ambtshalve medisch onderzoek te verrichten. Om de vraag te kunnen beantwoorden of de minister ten onrechte stelt dat vasthouden aan het mvv-vereiste niet onevenredig bezwarend is voor eiseres, ziet de rechtbank zich, mede gelet op hetgeen op zitting naar voren is gekomen, ook voor de vraag gesteld of het gemaakte onderscheid tussen A-landen en B-landen bij het inburgeringsexamen een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit met zich brengt. In dat kader overweegt de rechtbank dat de minister, desgevraagd, niet heeft gemotiveerd waarom het gemaakte onderscheid tussen A-landen en B-landen gerechtvaardigd is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken