Rb. Den Haag 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325

Prejudiciële vragen over uitlegging artikelen 1 en 4 Handvest met betrekking tot omvang rechterlijke controle overdrachtsbesluit ernstig zieke vreemdeling . Eiser kampt met ernstige psychische en psychiatrische problematiek waarvoor hij thans wordt behandeld door een psycholoog en een psychiater. Deze problematiek van eiser openbaart zich doordat eiser zich frequent suïcidaal uit en concrete plannen maakt voor de wijze waarop hij zichzelf om het leven zal brengen. Dit volgt niet alleen uit de verklaringen van eiser maar ook uit de gegevens van de behandelaars van eiser. De behandelaars geven aan dat ten aanzien van de depressie en de huidige kwetsbaarheid waarin eiser verkeert, wordt verwacht dat wanneer eiser terug wordt gestuurd naar Kroatië, zijn psychische toestand ernstig zal verslechteren. De behandelaars van eiser geven tevens aan dat traumabehandeling nauwelijks van de grond komt omdat de angst van eiser om terug te moeten keren naar zijn land van herkomst of naar Kroatië, direct leidt tot toename van suïcidaliteit en dat de therapiesessies daarom vooral gericht zijn op crisisinterventies en het bieden van steun. In het arrest C.K. van 16 februari 2017 heeft het Hof verduidelijkt dat een 4 Handvest-schending niet altijd hoeft voort te komen uit systeemfouten in de asielprocedure en de opvang. Het Hof heeft uitgelegd dat indien een vreemdeling ernstig ziek is en de overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand zou inhouden, dit een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van 4 Handvest zou vormen. Indien verweerder een overdrachtsbesluit wil nemen, moet verweerder iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser wegnemen. Verweerder vraagt hiervoor advies aan BMA en vraagt -uitsluitend- of de vreemdeling kan reizen en hiervoor aan bepaalde reisvoorwaarden moet zijn voldaan. De rechtbank vraagt het Hof of de rechterlijke controle van het overdrachtsbesluit beperkt kan blijven tot het nagaan van de voorgestelde reisvoorwaarden. Door het treffen van dergelijke maatregelen kan immers slechts worden voorkomen dat het reële en voorzienbare risico op een onmenselijke en vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest zich gedurende de feitelijke overdracht verwezenlijkt. Het ontvangen van een overdrachtsbesluit en/of de opschorting van de overdracht kan op zichzelf ook een reëel en bewezen risico inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand verzoeker, althans kan in aanzienlijke mate bijdragen aan deze achteruitgang of bij eenzelfde ziektebeeld en eenzelfde bijzondere ernst van de psychologische en psychiatrische klachten onverenigbaar met de menselijke waardigheid zijn. De rechtbank vraagt het Hof daarom of de hele weerslag van het overdrachtsbesluit en niet alleen de weerslag van de feitelijke overdracht moet worden beoordeeld als beroep tegen het overdrachtsbesluit wordt ingesteld. De rechtbank wijst hierbij op Verordening (EU) 2024/1351, waarin onder meer is bepaald dat indien de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de betrokken persoon niet aan de medische vereisten voor de overdracht voldoet, de overdrachtstermijn tot ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de verzoekende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis stelt kan worden verlengd. De rechtbank stelt twee prejudiciële vragen en houdt iedere verdere beslissing aan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken