Rb. Den Haag 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12454

prejudiciële vragen over zoekjaarvergunning, uitsluitend redenen van tijdelijke aard? Prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam over de zoekjaarvergunning. Er zijn aanknopingspunten om aan te nemen dat het verblijf op grond van een zoekjaarvergunning niet als een verblijf “uitsluitend om redenen van tijdelijke aard” kan worden aangemerkt. De rechtbank acht het antwoord echter niet boven redelijke twijfel verheven en stelt de volgende vragen: 1. Moet artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn langdurig ingezetenen zo worden uitgelegd dat het verblijf op grond van een zogenaamde zoekjaarvergunning op grond van artikel 25 van de Studierichtlijn niet is aan te merken als verblijf uitsluitend om redenen van tijdelijke aard zoals bedoeld in eerstgenoemde bepaling? 2. Moet artikel 4 van de Richtlijn langdurig ingezetenen zo worden uitgelegd dat het verblijf op grond van een zoekjaarvergunning in volle omvang meetelt voor het volmaken van de vijf jaar? Of is er aanleiding om het verblijf slechts voor de helft mee te tellen zoals in het geval van een verblijfsvergunning in verband met een studie of een beroepsopleiding? 3. Is voor het antwoord op de eerste en tweede vraag nog relevant of de derdelander feitelijk reeds in het bezit is gesteld van eerst een opvolgend Unierechtelijk verblijfsrecht op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn en vervolgens een nationaal rechtelijk verblijfsrecht voor onbepaalde tijd die niet uitsluitend om redenen van tijdelijke aard zijn?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken