Rb. Den Haag 21 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8713

Afwijzing verzoek om intrekking van een natuurvergunning. Uit de door verweerder overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat geen sprake is van een dreigende verslechtering of verstoring met significante gevolgen van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2022. In beroep tegen het bestreden besluit moet van de juistheid van het eerdere oordeel van de rechtbank worden uitgegaan, tenzij sprake is van bijzonderen omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de intrekking van de natuurvergunning is te beschouwen als passende maatregel. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt met welke maatregelen uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied binnen een afzienbare termijn. De rechtbank concludeert dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingom uit te leggen welke passende maatregelen worden getroffen in plaats van het intrekken of wijzigen van de natuurvergunning, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken