Rb. Den Haag 12 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8377

Kort geding. Gratie. Tenuitvoerlegging Belgische straf in Nederland. Motivering minister kan de beslissing om gratieverzoek van eiser af te wijzen niet dragen. Uitgangspunt is dat de tenuitvoerlegging van de Belgische straf wordt beheerst door Nederlands recht. Dat betekent dat in beginsel de Nederlandse v.i.-regeling van toepassing is. De minister kan op grond van artikel 6:2:10 lid 4 Sv bepalen dat in geval van tenuitvoerlegging in Nederland van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf de v.i. op een eerder tijdstip kan plaatsvinden, als voldoende vaststaat dat de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld als de tenuitvoerlegging niet door Nederland zou zijn overgenomen. Onder verwijzing naar arresten van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2023 heeft de minister eerder een verzoek van eiser om toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv afgewezen. In die arresten is overwogen dat de minister niet onrechtmatig handelt door alleen op het moment waarop hij beslist over de overname van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te onderzoeken of er reden is voor toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv. Op dat moment stond nog niet voldoende vast dat eiser in België eerder voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. In genoemde arresten van het gerechtshof is er echter ook van uitgegaan dat de gratieprocedure een voldoende vangnet is om risico op strafverzwaring in concrete gevallen tegen te gaan, waarbij de mogelijkheid dat een veroordeelde in het land van veroordeling eerder v.i. zou krijgen bij de beoordeling van het gratieverzoek kan worden betrokken. In de beslissing op het gratieverzoek ontbreekt echter een kenbare motivering waaruit blijkt dat er rekening mee is gehouden dat een gratieverzoek een vangnet is om het risico op strafverzwaring te voorkomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken