Rb. Den Haag 26 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2300
Prejudiciële vragen artikel 20 VWEU - Verzoekster, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en moeder is van een minderjarige Nederlandse zoon, heeft een aanvraag gedaan tot verlening van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20 VWEU en heeft betrekking op de vraag of verzoekster is uitgesloten van de verkrijging van een afgeleid verblijfsrecht in Nederland omdat zij een verblijfsrecht heeft in Spanje. De ratio van het in een zeer bijzondere situatie moeten verlenen van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander ouder, is het waarborgen van het effectieve genot van de burgerschapsrechten van het minderjarige Unieburger kind. Doordat verzoekster een verblijfsrecht in Spanje heeft, hoeft verzoekster bij de niet-verlening van een afgeleid verblijfsrecht in Nederland de Unie als geheel niet te verlaten en haar minderjarige Nederlandse zoon dus ook niet en daardoor blijven zijn burgerschapsrechten behouden. Door de afhankelijkheidsverhouding tussen de minderjarige Nederlandse zoon en verzoekster, is deze zoon echter genoodzaakt gebruik te maken van zijn recht op vrij verkeer en verblijf en verzoekster naar de lidstaat te volgen waar zij een verblijfsrecht heeft. De rechtbank vraagt zich af of de beginselen die volgen uit de jurisprudentie van het Hof onverkort van toepassing moeten worden geacht in deze situatie. Een dergelijke uitleg van artikel 20 VWEU brengt mee dat niet behoeft te worden beoordeeld of het in het belang van het minderjarige Nederlandse kind is om gebruik te moeten maken van zijn recht op vrij verkeer en verblijf en brengt mee dat niet wordt onderzocht wat de gevolgen zijn voor het gezinsleven. Het belang van het kind en het recht op eerbiediging van het gezinsleven zijn neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, maar zijn geen absolute rechten. Bij alle handelingen die de autoriteiten verrichten, dient het belang van het kind echter een essentiële overweging te zijn. De afwijzing van het verzoek om verlening van een afgeleid verblijfsrecht behelst bovendien de vaststelling van onrechtmatig verblijf. Verweerder is op grond van de Terugkeerrichtlijn gehouden illegaal verblijf te beëindigen en verzoekster op te dragen zich onmiddellijk naar Spanje te begeven. Indien verweerder de Terugkeerrichtlijn ten uitvoer legt is hij gehouden rekening te houden met het belang van het kind en het familie- en gezinsleven. De rechtbank verzoekt het Hof om nader uit te leggen of, nadat is vastgesteld dat de derdelander ouder die om de verlening van een afgeleid verblijfsrecht verzoekt een verblijfsrecht in een andere lidstaat heeft, en nadat is vastgesteld dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, zoals deze die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 VWEU, er een nader onderzoek moet plaatsvinden naar het belang van het kind en het gezinsleven en dit moet worden betrokken bij de beoordeling of een afgeleid verblijfsrecht moet worden verleend. – de behandeling van het beroep wordt geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen, iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl