Rb. Den Haag 24 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11673

Hoewel de vraag of de uiterste termijn voor overdracht is verstreken niet voorligt bij de toetsing van de maatregel van bewaring, ziet de bewaringsrechter zich wel genoodzaakt de vraag te beantwoorden of op enig moment geen concreet aanknopingspunt meer bestond voor overdracht. De rechtbank leidt uit de bewoording van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening af dat hierin is bepaald dat de vreemdeling kan verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten hangende het (eerste) beroep tegen het overdrachtsbesluit. De bewoording “de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten” wordt immers direct gevolgd door de woorden “in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar” als bedoeld in de aanhef van het derde lid van artikel 27 van de Dublinverordening. Gelet hierop en in afwijking van de Afdeling in haar uitspraak van 24 februari 2020, waar verweerder naar verwijst, kan alleen een verzoek tot opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit hangende een procedure tegen de vaststelling van het overdrachtsbesluit de uiterste overdrachtstermijn opschorten. Een verzoek hangende een procedure tegen de feitelijke uitvoering van een vastgesteld overdrachtsbesluit kan de uiterste overdrachtstermijn op grond van artikel 27 van de Dublinverordening niet opschorten. De rechtbank vindt voor deze uitleg van artikel 27 van de Dublinverordening steun in rechtsoverweging 58 en 59 van het arrest van het Hof van 30 maart 2023. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag op welke datum de uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat de uiterste overdrachtstermijn verliep op 19 juni 2024. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat de overdrachtstermijn van zes maanden gaat lopen vanaf aanvaarding van het overname- of terugnameverzoek. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat op een eerder moment dan 20 juni 2024 een concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was ontbrak. Dat concrete aanknopingspunt is na afloop van 19 juni 2024 wel komen te ontbreken, voor zover het ging om overdracht aan Zwitserland. Niet is gesteld of gebleken dat er op dat moment een aanknopingspunt was dat een andere lidstaat dan Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat eiser met ingang van 20 juni 2024 op een onjuiste wettelijke grondslag van zijn vrijheid is beroofd en verweerder met ingang van die dag de maatregel had moeten opheffen en niet pas op 21 juni 2024.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken