Rb. Den Haag 8 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10491
[Oekraïne, 21-maandentermijn]. In geschil is of de staatssecretaris de beslissing op de asielaanvraag van een Oekraïense vreemdeling op grond van artikel 43a van de Vw 2000 kan uitstellen tot na afloop van de tijdelijke bescherming. De staatssecretaris is namelijk, gelet op artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, gehouden om binnen 21 maanden op de asielaanvraag te beslissen. De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld hoe artikel 43a van de Vw 2000, als implementatie van artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming, zich verhoudt tot artikel 43 van de Vw 2000 en artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. De rechtbank overweegt dat uit de Vw 2000 niet volgt dat in geval van tijdelijke bescherming binnen 21 maanden op een asielverzoek moet worden beslist. Vervolgens is het de vraag of de Vw 2000 op dit onderdeel in strijd is met de relevante Europese richtlijnen. De rechtbank leidt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijnen af dat het niet de bedoeling is geweest om met de herziene Procedurerichtlijn bepalingen uit de Richtlijn tijdelijke bescherming te vervangen of terzijde te schuiven. Uit deze totstandkomingsgeschiedenis leidt de rechtbank af dat beide richtlijnen, die een zelfstandige grondslag hebben, ten dienste staan van Geas. Dat leidt de rechtbank ook af uit de bedoeling van beide richtlijnen. De Procedurerichtlijn beoogt de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming onder normale omstandigheden. Met de Richtlijn tijdelijke bescherming is daarentegen bedoeld om een specifieke regeling in het leven te roepen voor de uitzonderlijke situatie van een massale toestroom van ontheemden in de Europese Unie. Met het opschorten van de beslistermijn, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming is lidstaten een instrument geboden om de hoge toestroom het hoofd te bieden. Uit de (totstandkomingsgeschiedenis van de) Procedurerichtlijn blijkt niet expliciet dat beoogd is om terug te komen van deze opschortingsmogelijkheid in het geval van een situatie van massale toestroom. Artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming en artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn kunnen ook naast elkaar bestaan. De beslistermijnen van het in artikel 42 van de Vw 2000 geïmplementeerde artikel 31 van de Procedurerichtlijn, en dus ook de maximale beslistermijn van 21 maanden in asielzaken, gaan pas (verder) lopen na beëindiging van de tijdelijke bescherming, in dit geval dus na 4 maart 2025. Een uitleg dat de in artikel 31 van die richtlijn genoemde termijnen vanwege het ontbreken van die uitzondering ook voor tijdelijk beschermden aanvangen vanaf de asielaanvraag zou de zelfstandige betekenis van het in artikel 43a van de Vw 2000 geïmplementeerde artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming ontkennen. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de opschorting van de behandeling van de asielaanvraag tot na het moment van de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet in strijd is met artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl