Rb. Den Haag 24 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7388

Rechtbank ziet in de kwestie over de concessieverlening voor het Hoofdrailnet voor haarzelf als burgerlijke rechter geen taak als restrechter. Deze kwestie zal dan ook eerst na definitieve concessieverlening kunnen worden voorgelegd aan de door de wetgever aangewezen gespecialiseerde bestuursrechter, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Daarbij is met name van belang dat de rechtbank van oordeel is dat zij niet vóórdat de gespecialiseerde bestuursrechter (het CBb) bevoegd wordt en een oordeel kan geven, duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of de voorgenomen concessie in strijd is met het Europees recht. Hierdoor ontstaat bovendien het reële gevaar dat na definitieve concessieverlening over dezelfde kwestie zowel een zaak bij de burgerlijke rechter loopt als bij het CBb. Dan ontstaat het gevaar van tegenstrijdige uitspraken en van onduidelijkheid over de vraag welke uitspraak doorslaggevend is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken