Rb. Den Haag 12 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19612
[verlenging beslistermijn; artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000; WBV 2023/23]. De rechtbank blijft bij haar eerder gegeven uitleg (ECLI:NL:RBDHA:2022:14087) dat de beslistermijn van zes maanden in asielzaken niet alleen op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (implementatie van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn) met negen maanden kan worden verlengd als asielaanvragen op hetzelfde moment zijn ingediend, maar ook als de stijging van het aantal aanvragen geleidelijk is. De mogelijkheid om de beslistermijn op deze grond te verlengen is echter niet onbegrensd. De verplichting van de lidstaat om ervoor te zorgen dat de beslissingsautoriteit over passende middelen beschikt, met inbegrip van voldoende personeel dat bekwaam is, om haar taken overeenkomstig de Procedurerichtlijn uit te voeren, brengt met zich dat de lidstaat in een situatie van een onverwachte toename van de asielinstroom voldoende maatregelen dient te nemen, opdat de beslissingsautoriteit zo snel mogelijk weer in staat is om de behandelingsprocedure binnen zes maanden na indiening van een asielaanvraag af te ronden. Het tijdsverloop tussen de datum van inwerkingtreding van WBV 2022/22 en WBV 2023/3 – ruim vier maanden – is relatief beperkt is. Ook is voldoende gebleken dat de staatssecretaris naar aanleiding van de onverwachte toename van het aantal asielaanvragen maatregelen heeft genomen om zijn besliscapaciteit te vergroten. De rechtbank is van oordeel dat van de staatssecretaris niet mocht worden verwacht, gelet op dit korte tijdsbestek, dat hij ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023/3 de duur van de behandelingsprocedure al zodanig had teruggebracht dat weer binnen zes maanden op nieuwe asielaanvragen kon worden beslist. De staatssecretaris heeft met WBV 2023/3 de beslistermijn echter verlengd voor alle aanvragen die in 2023 worden ingediend. De rechtbank acht deze duur niet in overeenstemming met het uitgangspunt dat de toepassing van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een uitzondering is op de reguliere beslistermijn van zes maanden, en daarom moet worden beperkt in tijd. De staatssecretaris mocht de beslistermijn ook na 1 januari 2023 verlengen op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar hij mocht niet besluiten dat nog gedurende het hele jaar 2023 te doen. Ook beantwoordt de rechtbank de vraag welke duur van de toepassing van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 maximaal toelaatbaar is. De rechtbank zoekt aansluiting bij de tekst van deze bepaling. De uniewetgever heeft lidstaten in een situatie van een onverwachte toename van het aantal asielaanvragen aanvullend een termijn van negen maanden toegekend om de behandelingsprocedures af te ronden. Hieruit leidt de rechtbank af dat een lidstaat geacht wordt om binnen die termijn zodanige maatregelen te treffen dat het mogelijk is de toename van het aantal asielaanvragen op te vangen. Dit houdt in dat toepassing van de verlengingsmogelijkheid na verloop van die negen maanden niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Deze termijn komt ook overeen met de tijd die volgens de staatssecretaris nodig is voor het opleiden van hoor- en beslispersoneel. Hiervoor is een doorlooptijd van negen maanden nodig, waarna deze medewerkers inzetbaar zijn. Dat betekent dat van asielaanvragen die zijn ingediend na 26 juni 2023 – negen maanden na de inwerkingtreding van WBV 2022/22 – de beslistermijn niet met negen maanden kon worden verlengd. Op dit punt is WBV 2023/3 dus in strijd met artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn. Omdat de asielaanvraag van eiser voor die datum is ingediend is de ingebrekestelling te vroeg ingediend en het beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl