Rb. Den Haag 14 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:599
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Terugkeerbesluit. Inreisverbod voor de duur van tien jaar. Actualiteitscriterium. Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Beroep op de conclusie staatsraden advocaat-generaal Wattel en Widdershoven. Art. 3 EVRM. Verbod op dubbele bestraffing. Actualiteitscriterium: vormt eiser een actueel en daadwerkelijk gevaar Eiser is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens moord en doodslag en overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hij geen actueel gevaar is voor de samenleving omdat hij nog jarenlang gevangen zal zitten. De redenen van openbare orde of veiligheid die ten grondslag liggen aan het inreisverbod, mogen uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van eiser. De omstandigheid dat eiser is gedetineerd en pas over jaren uitzicht op invrijheidstelling heeft, kan niet worden geacht betrekking te hebben op zijn persoonlijk gedrag, maar op de omstandigheden van zijn verblijf. Die omstandigheid weegt dan ook niet mee bij de beoordeling van de actualiteit van het gevaar voor de samenleving. De rechtbank wijst ter ondersteuning op het arrest van het Hof van Justitie van 13 juli 2017. Verder heeft verweerder mogen vinden dat eiser geen objectieve documenten over zijn gedrag in detentie heeft overgelegd, zodat langs die weg van een veranderd normbesef niet is gebleken. Toets (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat het aan de inrichting is om uit te maken wat eiser wel en niet mag en om een menswaardige behandeling te waarborgen. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken, dat eiser zicht houdt op een herbeoordeling van de straf na 25 jaar; van een uitzichtloze situatie is derhalve geen sprake. Verweerder heeft in de besluitvorming de gevolgen van het besluit voor eiser ingevolge het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat het betoog van eiser, onder verwijzing naar het Ouhrami-arrest, dat het inreisverbod geen passende maatregel is op de aanname stoelt dat eiser nooit meer vrijkomt, terwijl na 25 jaar bezien moet worden of zijn detentie nog langer een legitiem strafdoel dient. Daarnaast heeft verweerder erop mogen wijzen dat het feit dat eerst na 25 jaar bezien zal worden of de detentie niet langer een legitiem strafdoel dient, in de beoordeling die de rechtbank nu moet maken niet ter zake doet. Bij die beoordeling gaat het er immers om of op het moment dat de beperkende maatregel door de rechter wordt getoetst aan het Unierechtelijke openbare ordecriterium is voldaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het inreisverbod pas rechtskracht krijgt nadat eiser de EU daadwerkelijk heeft verlaten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eiser na zijn detentie uit de EU zal vertrekken en gedurende 10 jaar na zijn vertrek niet mag terugkeren naar de EU. Deze beveiliging van de Nederlandse samenleving (en de samenleving van de andere EU-landen) wordt niet met de detentie van eiser bereikt. Conclusie staatsraden advocaat-generaal Wattel en Widdershoven De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de geschiktheid heeft mogen vinden dat het bestreden besluit geschikt is om het doel ervan, het vertrek van eiser uit Nederland en het voorkomen van zijn terugkeer, te bewerkstelligen. Immers, zoals ook volgt uit de rechtsoverwegingen 11 en 13, is met een veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf niet uitgesloten dat eiser op enig moment vrijkomt en dus dient het bestreden besluit een doel, namelijk dat hij dan moet vertrekken. Verder zou eiser zonder een zwaar inreisverbod aanspraak kunnen maken op een andere verblijfstitel. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook mogen vinden dat in dit geval is voldaan aan de eis van noodzakelijkheid. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat het strafrechtelijk toetsingskader een andere is dan het hier aan de orde zijnde vreemdelingrechtelijk toetsingskader. En omdat niet is uitgesloten dat eiser op enig moment vrijkomt heeft verweerder ook mogen vinden dat ook aan de evenredigheid in strikte zin is voldaan. Art. 3 EVRM Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3 EVRM. Door het inreisverbod worden cursussen en opleidingen en (mogelijk) verlof gestaakt, waarvan het doel juist is om eiser toekomstperspectief te bieden. Eiser komt daardoor in een uitzichtloze situatie terecht zonder kans op verbetering of verlichting die normaal in de PI geboden wordt. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser recht heeft op resocialisatieactiviteiten. Eiser mag nog steeds in de winkel werken, het aangeboden activiteitenprogramma volgen (recreatie, bibliotheek, sport) en cursussen volgen (Word, Excel, e.d.). Ook kan hij deelnemen aan praatgroepen. Levenslang gestraften hebben de eerste 25 jaar van hun detentie echter geen recht op verlof en re-integratieactiviteiten. Als de gedetineerde 25 jaar in detentie heeft gezeten, brengt het Adviescollege Levenslanggestraften een advies uit waarin staat opgenomen of de levenslanggestrafte mag gaan werken aan een mogelijke terugkeer in de maatschappij. Daarbij wordt ook geadviseerd over het aanbieden van re-integratieactiviteiten. Tot de re-integratieactiviteiten kan bijvoorbeeld het volgen van een opleiding horen. Eiser zit echter nog niet in de re-integratiefase. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank in de omstandigheid dat eiser nu geen recht heeft op verlof en re-integratieactiviteiten geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een onmenselijke behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM. De rechtbank wijst ter ondersteuning op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017. Verbod op dubbele bestraffing. Eiser kan niet in zijn stelling worden gevolgd dat in dit geval sprake is van dubbele bestraffing. De strafrechter is niet bevoegd om aan de veroordeling de intrekking van een verblijfsvergunning, terugkeerbesluit of inreisverbod te verbinden. Het gaat hier om maatregelen waaraan een zelfstandige beoordeling door verweerder van alle relevante feiten en omstandigheden vooraf moet gaan. Uit de Vw 2000 volgt dat de intrekking van een verblijfsvergunning en de uitvaardiging van een terugkeerbesluit en een inreisverbod naar nationaal recht moeten worden aangemerkt als bestuursrechtelijke maatregelen en niet als een punitieve sancties. Het primaire doel van voormelde maatregelen is niet het voorkomen van het plegen van strafbare feiten, maar het beschermen van de openbare orde. Dit is een aanwijzing dat het hier niet gaat om algemene strafrechtelijke normen. Die maatregelen zijn weliswaar ingrijpende maatregelen met verstrekkende gevolgen, maar die maatregelen zijn niet gericht op leedtoevoeging. Verder zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de voormelde maatregelen alleen op basis van de zwaarte van de maatregel als punitieve sancties kunnen worden aangemerkt
De uitspraak op rechtspraak.nl