Rb. Den Haag 21 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3778

Bij vonnis van 15 oktober 2018 heeft de rechtbank te Brussel (België) verklaard dat er een rechtsvermoeden van overlijden bestaat ten aanzien van verweerder, zijnde de op geboortedatum geboren zoon van verzoekster (verzoekster). Primair verzoekt verzoekster verlof voor de tenuitvoerlegging van het Belgische vonnis en subsidiair voor recht te verklaren dit vonnis in Nederland wordt erkend. Ter onderbouwing van het verzoek om verlof verwijst verzoekster naar het vanaf 1 september 1929 tot op heden geldende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechtelijke beslissingen, van scheidsrechtelijke uitspraken en van authentieke akten (hierna: het verdrag). In artikel 11, eerste lid, op basis waarvan het gezag van rechterlijke beslissingen, gewezen in burgerlijke zaken in één der beide Staten op verzoek van elke belanghebbende partij zal worden erkend in de andere Staat. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van dit vonnis zal worden verleend. Nu het primair verzochte zal worden toegewezen behoeft het subsidiair verzochte geen bespreking. De rechtbank verleent het verzochte verlof voor tenuitvoerlegging in Nederland van het op 15 oktober 2018 door de Belgische rechter gewezen vonnis.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen